Het laatste schepje. Sluiting van de dijk van de Noordoostpolder bij Urk op 3 oktober 1939. Johan Hendrik van Mastenbroek, 1940. Collectie Zuiderzeemuseum. Een schilderij dat symboliseert waar Urk staat: wat achteraf en buitengesloten.
Het laatste schepje. Sluiting van de dijk van de Noordoostpolder bij Urk op 3 oktober 1939. Johan Hendrik van Mastenbroek, 1940. Collectie Zuiderzeemuseum. Een schilderij dat symboliseert waar Urk staat: wat achteraf en buitengesloten.

Geen plek voor Urk in de polder

Door Lub Post & Klaas Post | Na 1940 zal Urk een voormalig eiland zonder toekomst worden. Het wordt, weggestopt achter een dichte bomenrij, aan zijn lot overgelaten om langzaam dood te bloeden. Er moet koste wat kost voorkomen worden dat de Urkers met hun tbc, inteelt, vermeende achterlijkheid en gebrek aan ondernemingszin de zorgvuldig gecreëerde poldersamenleving negatief beïnvloeden. In het nieuwe nummer van Urcker Kronieken van de Stichting Urker Uitgaven wordt het hele proces van uitsluiting uitgebreid beschreven.

De Directie van de Wieringermeer afdeling Noordoostpolderwerken is Urk bij de kolonisatie van het nieuwe land liever kwijt dan rijk. Al in de jaren dertig worden pogingen gedaan om Urker vissers te laten emigreren naar andere kustplaatsen door hun uitkering op grond van de Zuiderzeesteunwet in te houden. Als na de Tweede Wereldoorlog de invulling van de Noordoostpolder op gang komt, wordt Urk op basis van wetenschappelijk onderzoek buitengesloten. De helft van Urk moet maar gedeporteerd worden of zoveel mogelijk gestimuleerd worden om te emigreren, zo adviseren socioloog Groenman en sociaal-econoom Zeegers in 1947.

Als reactie op dit advies voorspelt de Urker burgemeester Keijzer dat de Urkers zich tot het uiterste zullen handhaven en dat de inpoldering hen zal stimuleren om zoveel mogelijk nieuwe bestaansmogelijkheden te verwerven. Hij voegt er in zijn reactie aan toe dat het oneerlijk is dat de naaste buurman, die in de polder grote zeggenschap heeft, het voormalige eiland zoveel mogelijk beperkt en expansie belemmert. Pas na tussenkomst van de landelijke politiek krijgt Urk er onder voorwaarden een bescheiden honderd hectare grond bij. Er zullen in de decennia daarna nog veel moeizame grenscorrecties volgen.

De huidige omvang van Urk en groeiverwachtingen van bevolking en economie bevestigen het gelijk van Keijzer. De conclusie van het essay is dat de handelswijze van het polderbestuur geen schoonheidsprijs verdient, maar dat het vooral wrang dat er na ruim zeventig jaar nog niet veel is veranderd. Urk krijgt maar met mondjesmaat nieuwe grond en moet daar lang over onderhandelen en dik betalen. Zo wordt Urk nog steeds belemmerd door de buurgemeente en staat een goede ruimtelijke ordening en infrastructuur in de weg. Dit terwijl de Noordoostpolder inmiddels een krimpgemeente is en Urk versneld door blijft groeien. In de 48.000 hectare grote polder is Urk nog steeds maar een bescheiden 1.347 hectare groot vlekje. De actualiteit, de cijfers en toekomstverwachtingen van beide gemeenten rechtvaardigen daarom een herverdeling van (een deel van) de Noordoostpolder.

Urk in de jaren vijftig.

Andere Essays