Reconstructie vissers met op de achtergrond de rode kleileembult Urk, circa 5.000 jaar v.Chr. (aquarel Remie Bakker).
Reconstructie vissers met op de achtergrond de rode kleileembult Urk, circa 5.000 jaar v.Chr. (aquarel Remie Bakker).

Urk tot de IJzertijd, 600 BC

Door Sjoerd Haagsma | Geschiedenis heeft – en dat wordt vaak vergeten – allereerst met identiteit te maken! Elke (nieuwe) gemeenschap heeft behoefte aan een eigen geschiedenis die de ontwikkeling van haar identiteit weergeeft. Dat gold in 1815 toen het Koninkrijk der Nederlanden werd uitgeroepen, dat gold voor Athene toen dat het centrum van Griekse cultuur werd (de Ilias van Homerus), dat gold voor Jeruzalem in 622 BC toen de tien stammen van Israël werden weggevoerd en velen naar Jeruzalem vluchtten (de Torah) en dat gold voor Urk toen het geen eiland meer was (het boek van C. de Vries, Geschiedenis van het eiland Urk). De Vries beschrijft de geschiedenis van Urk als “Gods werk”. En vanuit die ‘heilhistorische’ kwalificatie is het begrijpelijk dat zijn geschiedenis aanvangt met Sint Odulphus (ca. 800-854 AD). Daarmee geeft hij dan ook impliciet te kennen dat de daaraan voorafgaande geschiedenis er eigenlijk – voor de identiteit en geschiedenis van Urk – niet toe doet!

Waarom willen wij wel een poging wagen over die voorafgaande geschiedenis wat meer te zeggen? Enerzijds omdat er in de duizenden jaren vóór Sint Odulphus wel degelijk factoren zijn te benoemen die bepalend zijn geweest voor het karakter en de identiteit van Urk en anderzijds omdat de geschiedenis van Urk verder is gegaan. Het dorp, nu fysiek verbonden met het vasteland, ondergaat steeds meer de invloed van buitenaf, niet alleen economisch-materieel, maar ook geestelijk-cultureel. Wil de toekomstige generatie van Urk het eigen karakter van haar gemeenschap kunnen weergeven dan moeten zij dat (ook) kunnen doen aan de hand van de vroegste geschiedenis èn in de taal van de huidige moderne cultuur. En is C. de Vries de Urkers daarin in feite niet voorgegaan door zijn geschiedenis te schrijven op wetenschappelijk verantwoorde wijze?

Vanuit die overwegingen willen we hier een aanzet geven over de oudste geschiedenis van Urk en omgeving vanaf het eerste moment dat er mensen naar Europa kwamen, werkend met dezelfde wetenschappelijke instrumenten als waarin C. de Vries zijn pionierswerk schreef.

Het ontstaan van Urk en de komst van de eerste mensen

De ondergrond van het oude eiland is een overblijfsel van de voorlaatste ijstijd, de Saale-ijstijd (circa 238.000-128.000 BC). Gedurende die ijstijd bedekt het ijs het gehele noordelijke deel van Nederland en voert enorme hoeveelheden zand en gesteenten uit Scandinavië mee. Door erosie en verplaatsing van ijs, gesteenten en ondergrond ontstaat een zeer compacte keileem, dat op de meest zuidelijke grenzen van het ijs als hoge stuwwallen (eindmorenes) blijft liggen.

De huidige dorpskern is slechts een schamel restant van een enorme eindmorene. Toch strekt ook nu de laag keileem zich nog tot ver in het IJsselmeer uit (onder andere op de Vormt) en bereikt de laag daar diktes tot 8 meter. De bijzonder talrijke stenen die in het keileem voorkomen en de geweldige afmetingen daarvan (tot wel 6 meter omtrek), maken dat oude kaarten het Val van Urk als gevaarlijk voor de scheepvaart beschouwen. Ook nu nog vormen de bekende Ommelebommelesteen en andere grote stenen een gevaar voor surfers en scheepvaart. Een deel van de grond benoorden de dorpskern wordt na de drooglegging door keileem en stenen ongeschikt geacht voor landbouw. Daar ontstaat het Urkerbos met daarin het geologisch reservaat Van der Lijn.

Nadat het ijs zich terugtrekt, wordt Urk een onderdeel van een groot samenhangend gebied waarin het met Schokland (ook zo’n eindmorene) en het Kamperland verbonden is. Urk en Schokland (hoewel in mindere mate) worden duidelijk herkenbare heuvels in het verder vlakke landschap. Qua begroeiing (of het ontbreken daarvan) wijken ze door het zand, de zwerfstenen en het kalkrijke en watervaste keileem af van de klei en veengronden in de rest van het uitgestrekte gebied. Van 130.000 tot 25.000 jaar geleden wordt de omgeving van Urk het domein van rendieren, mammoeten, reuzenherten en holenberen.

In hun spoor komen ook de eerste mensen in onze streken, in de vorm van Neanderthalers (Homo sapiens neanderthalensis). Ze leven in kleine familiegroepen en trekken rond al naargelang de plaatsen waar in die tijd van het jaar wild en vruchten het meest voorradig zijn. Ze spreken net zoals wij en maken gebruik van stenen vuistbijlen, werpsperen en van vuur (ook bij de jacht waardoor open niet-beboste plekken in het landschap ontstaan) De moderne mens, Homo sapiens sapiens, komt voor het eerst rond 40.000 geleden naar onze streken en aanvankelijk vooral in het zuiden van Europa. Zo ontstaat er ook contact tussen beide groepen mensen. De Neanderthalers zijn daarop uitgestorven; de moderne mensen overleven, misschien ook omdat ze beter met elkaar kunnen samenwerken en communiceren, waardoor ze meer succesvol zijn in de jacht en bij onderlinge twisten.

Van beide mensensoorten is moeilijk vast te stellen hoe zij de natuur, hun wereld beschouwd hebben, maar dankzij de grottekeningen die ze hebben achter gelaten is daar toch wel iets over te zeggen. Want kunst is begonnen als religieuze kunst: met de kunst wilde men niet alleen iets uitdrukken van wat men ervaart, maar er ook iets mee bereiken! Zo lijken ze de wereld als een magische eenheid te hebben ervaren, bestaande uit een onderwereld en een bovenwereld, waar alles invloed had op alles en waar de mens niet boven stond, maar een klein onderdeeltje van was. Zo moeten ze ergens in die onderwereld van de grot invloed hebben willen uitoefenen op de bovenwereld om daar hun invloed aan te wenden voor zegen = vruchtbaarheid vanuit de bovenwereld. Zo ontstonden ook de culturele feesten in de winter om het vuur = licht en leven terug te brengen in de Lente en zo ontstond de gewoonte om de doden te begraven in de richting waar de zon in Midwinter opkomt, in de hoop op een nieuw leven.

Swifterbant cultuur en Hunebedbouwers

Rond 10.000 BC komt er een eind aan de laatste ijstijd, het Weichselien. Het wordt geleidelijk warmer in onze streken, waardoor een dichtbegroeid landschap ontstaat, doorsneden door talloze kreken en rivieren als die van de Overijsselse Vecht. Door sterke wisselingen in de zeespiegel vallen rivierbeddingen droog, waar door zandverstuivingen rivierduinen ontstaan. Voor nomaden wordt dit zo een aantrekkelijk gebied, waar in de kreken met visweren gevist kan worden, op het land allerlei eetbare vruchten, planten, noten en granen te vinden zijn, en waar goed gejaagd kan worden op herten, zwijnen, bevers, otters en dergelijke. En de rivierduinen nabij en op Urk blijken hoog genoeg om een kampement zo niet langdurig dan toch regelmatig te vestigen. Op het Urker industrieterrein de Zwolse Hoek werd zo’n kampement gevonden dat tussen 5500 en 3000 BC door deze mensen gebruikt moet zijn geweest, een prima plek in de luwte van de Urker hoogte. Uit de daar opgegraven vondsten krijgen we een beeld hoe deze mensen – deel uitmakend van wat we nu de Swifterbantcultuur noemen - geleefd hebben. Uit een eergetouw (eenvoudige ploeg), emmertarwe en huisdieren als varkens en kleine runderen bleek dat vissen, jagen en vruchten verzamelen nog wel hun hoofdbezigheid was, maar dat ze ontdekt hadden hoe zaden zelf uit te zaaien en dat bepaalde dieren goed te temmen waren. En uit paalgaten en begraven personen bleek dat ze daar ook huizen bouwden en lang genoeg verbleven om hun doden te begraven.

Sommige paalgaten zijn door hun willekeurig patroon echter moeilijker te duiden en kunnen iets met hun gebruiken te maken hebben. In hun magische wereld kon het leven alleen in standgehouden worden als de balans tussen leven en dood niet verstoord werd. Een gedood hert werd aldus het leven teruggegeven door bijvoorbeeld zijn schedel en huid op een paar palen en stokken te hangen. Maar omdat het hier om vergankelijke materialen gaat is hier verder niets over te zeggen wat deze groep mensen betrof.

De Swifterbantcultuur kwam ook elders in Nederland en in noordwest-Duitsland voor en werd in hetzelfde gebied opgevolgd door de Trechterbekercultuur, beter bekend als de Hunebedbouwers. Dit waren boeren die de landbouw van eenkoorn en emmertarwe verder geïntensiveerd hebben, evenals het houden van runderen, schapen, varkens en geiten rondom hun woning met muren van gevlochten takken met leem en riet op het dak. Hun doden legden zij in de bekende hunebedden, waar de grote keien opgevuld werden met kleinere en vervolgens bedekt met grond, binnen een cirkel van keien die het afsloot van de gewone wereld. Ook in dit gebruik komt weer de opvatting rond dood en leven naar voren: wat een grafkamer was voor de doden, werd tegelijk een zwangere buik in het landschap, gericht op het Oosten waar met Midwinter de zon nieuw leven in de koude aarde opwekte.

De komst van de Indo-Europese cultuur

De volgende jaren zijn grote veranderingen op komst voor de spaarzame nomaden die in het Stenen Tijdperk tot vlak onder de hoogte van Urk de delta van de Overijsselse Vecht hadden betreden.

Reeds vanaf 10.000 BC was in het Midden-Oosten een revolutionaire ontwikkeling op gang gekomen, die het nomadische leven zou vervangen met het blijven wonen op één plek, waarbij het verzamelen vervangen werd door landbouw en het jagen door het houden van getemde dieren. Dit betekende dat de mens voor het eerst ging werken, dat virussen meer kans kregen om zich te verspreiden, maar ook een enorme bevolkingstoename, die zich uitte in nieuwe migratiestromen, vooral vanuit het gebied van de Kaukasus, waar het wiel werd uitgevonden en het paard getemd werd. Deze cultuur van de Kaukasische steppen werd de Indo-Europese cultuur genoemd. Via de Donau vooral boeren, en later via Noord-Europa veehouders, begonnen deze vanaf 5000 BC ook Nederland te bereiken. Hun cultuur en hun taal zouden bepalend worden voor heel Europa, of het nu de tweelingen waren die Rome stichtten, de stierengevechten in Spanje, de kerstman of de mannenbonden, het waren alle uitingen van deze Indo-Europese cultuur.

Van belang voor ons is dat bijna alle namen die we van oude nederzettingen in het deltagebied rond Urk kennen van Indo-Europese oorsprong zijn, wat erop wijst die plaatsen pas met de eerste boeren in de delta als zodanig hun naam hebben gekregen. Daar komt nog bij dat de zee via stormvloeden steeds meer greep kreeg op de IJsseldelta, waardoor veel land in zee verdween, rivierbeddingen werden verbreed en steeds meer en grotere binnenmeren ontstonden. Deze boeren zullen dus zich maar heel geleidelijk in dit drassige gebied zijn gaan vestigen en dan vooral op en nabij de hogere delen zoals het latere Urk en Schokland. Oude namen kunnen aanvankelijk niet meer dan herkenningspunten in het landschap zijn geweest, een landschap dat waarschijnlijk niet eerder dan de vroege Middeleeuwen een meer permanente bewoning heeft gekend.

De komst van boeren, landbouw op hoger land en veeteelt in de lagere delen, betekende evenwel niet dat de cultuur van jagen en verzamelen verdween. Integendeel, lang zouden ze naast elkaar blijven bestaan, in de open en hogere gebieden de dorpen van de boeren, in de bossen en het ‘onland’ de jagers en verzamelaars. Zelfs tot vandaag, waar geen kievitsei meer geraapt mag worden en alleen de koning nog zijn jachtgebied heeft, bestaat deze cultuur nog, bijvoorbeeld op Urk waar de Urker visser nog een vorm van jagen en verzamelen beoefent!

Bronnen

  • Vries C. de, Geschiedenis van het eiland Urk, Zalsman, 1962
  • Waard D. de, Glacigeen Pleistoceen een geologisch detailonderzoek in het Urkerland (Noordoostpolder). (Utrecht, doctoraalstudie, 1947).
  • Waard D. de, “De geologie en de geomorfologie van Urk“. (Brill, Leiden, Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap Amsterdam, 1946).
  • Oost, E., Post, K., Vries, K. de. “Een tekening en twee kaarten: illustraties van de zeventiende-eeuwse LAT-relatie tussen Amsterdam en Urk”. Cultuur Historisch Jaarboek voor Flevoland 2016. (Lelystad, Uitgeverij de twaalfde provincie, 2016).
  • Stringer C., Overlevers, Hoe het komt dat wij de enige mensachtigen op aarde zijn, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2012.
  • Lewis-Williams D., The Mind in the Cave, Thames & Hudson, 2016. Vergelijk ook het sprookje van Vrouw Holle, als de bedden in de onderwereld uitgeklopt worden, sneeuwt het vanuit de bovenwereld.
  • https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/urk-3/prehistorische-vindplaats-urk-e4.html
  • Lewis-Williams D., Inside the Neolithic Mind, Thames & Hudson, 2009
  • Anthony D., The Horse, the Wheel and Language, How Bronze-Age Riders from the Eurasian Steppes shaped the Modern World, Princeton University Press, 2007
  • Kershaw K., Odin, der einäugige Gott und die Indogermanischen Männerbünde, Arun, 2003
Kaartje met verspreiding van het landijs en positie van de eindmorene Urk.
Geologisch reservaat Van der Lijn.

Kaartje van de omgeving van Urk rond 3800 v.Chr.

Foto van een op kavel E4 opgegraven menselijk skelet met barnstenen ketting.

Grotschildering in Lascaux Frankrijk
Hunebed in Drenthe

Canon van Urk