Een katholieke vrijstaat

De synode van Kampen omschreef de eilanden Urk en Schokland in 1619 als een katholieke ‘vrijstaat’, die gelovigen uit de wijde omtrek aantrok. De aanwezigheid van ‘eenighe papen’ vormde destijds een aanzienlijk hoofdpijndossier.

Urk beschikte toen waarschijnlijk echter al niet meer over een eigen pastoor. Hoewel Vrouwe Barbara van Essesteyn en Heer Johan van de Werve er alles aan deden om de katholieke identiteit van hun hoge heerlijkheid te beschermen, kreeg pastoor Gabinius Syndel (1597-1601) vermoedelijk geen opvolger.

De gelovigen hadden echter wel behoefte aan geestelijke bediening. Men diende kinderen te dopen, missen op te dragen, zieken te zalven en doden te begraven volgens de katholieke mores. Rondreizende geestelijken vingen een deel van deze taken op; afgaande op de synodale kritiek uit 1619 deden zij dit bepaald niet zonder succes.

Met name Zwolse priesters bedienden de parochies op Urk en Schokland actief. Bij het bestuderen van foto’s uit de Collectie Overijssel van het oliedoosje van de Zwolse pastoor en aartspriester Arnold Waeyer (1606–1692), rijst de vraag of dit doosje – gevuld met heilige oliën voor de sacramenten – met hem meereisde naar Urk. Aangezien archeologen op het eiland nauwelijks katholieke gebruiksvoorwerpen aantreffen, vormt dit object wellicht een zeldzaam tastbaar aanknopingspunt.

Heilige olie en relieken

Het doosje bevat overigens niet uitsluitend flesjes olie, maar ook heiligenrelieken, veilig opgeborgen in houders en medaillons. Waeyer bezat bijvoorbeeld relieken van de vrouwelijke heiligen Rosa van Viterbo en Barbara van Nicomedië. Een lakzegel op de achterzijde van een van de houders dient als authenticiteitsbewijs. Wellicht kusten Urker parochieleden deze doosjes tijdens heiligendagen?

Dit is een reëel scenario. Notities van Waeyer tonen aan dat hij veel reisde en verantwoordelijkheid droeg voor omliggende dorpen. Bovendien werkten geestelijken uit zijn statie als pastoor op Schokland.

Toch is het onwaarschijnlijk dat specifiek dit doosje het Kerkje aan de Zee van binnen heeft gezien. Voornamelijk de ‘strijdlustige’ jezuïeten uit de statie aan de Koestraat bezochten Urk. Zo noteerden Adrianus Courten en Nicolaas Borluit na hun bezoeken in de periode 1619-1632 dat hen een grote ‘oogst’ ten deel zou zijn gevallen, mits zij er langer hadden kunnen verblijven. Waeyer behoorde daarentegen tot de ‘seculiere’ statie in de Spiegelsteeg, die onder de Sallandse aartspriesters viel.

Zending op Urk

Ook vanuit Kampen voeren geestelijken naar Urk en Schokland. Daarnaast bedienden missionarissen van de Hollandse Zending de eilanden. Minderbroeder Antonius Verweij was een van deze zendelingen die het Zuiderzeegebied afreisde, waarschijnlijk uitgerust met een oliedoosje vergelijkbaar met dat van Waeyer. In zijn missieverslag over de periode 1617-1636 schrijft Verweij: “Ik heb er gepreekt, het doopsel en de andere sacramenten toegediend. Vrijwel alle bewoners van deze eilanden zijn zeer verknocht aan de kerk en leven eenvoudig. Toch trof ik ongedoopte lieden van vijftig, zestig en zeventig jaar oud, simpelweg omdat zij geen priesters hadden. Zij vroegen wel om brood, maar er was niemand die het voor hen brak.”

In 1681 ontsloeg het Amsterdamse stadsbestuur de katholieke schout en onderwijzer op Schokland, om hen te vervangen door een ‘godzalige gereformeerde schoolmeester’. De Schokkers verzetten zich hier met hand en tand tegen.

In tegenstelling tot Urk slaagde het gunstiger gelegen Schokland er nog wel in om nieuwe pastoors aan te trekken. De laatste Schokker pastoor waarvan historisch is vastgesteld dat hij eveneens Urk bediende, was Lucas Becker. Hij verliet het eiland in 1711. Op Urk was de magistraat inmiddels volledig gereformeerd geraakt; katholieken kwamen niet langer in aanmerking voor publieke functies.

De Urkers die zich hardnekkig bleven verzetten tegen de neie lare (nieuwe leer), zochten vermoedelijk nog enige tijd hun heil op Schokland. Uiteindelijk dreven de beperkende maatregelen en het structurele gebrek aan katholieke zielzorg deze gelovigen richting de gereformeerde kerk, die inmiddels wel over een goed opgeleide, bevlogen predikant beschikte. Rond 1725 kwam er op het eiland definitief een einde aan de ‘paapsche superstitiën’, inclusief het gebruik van heilige oliën en relieken.

Het genoemde oliedoosje bevindt zich in de Collectie Overijssel, Collectie Thomas a Kempisparochie, onder objectnummer 10435.