Onderwijs op Urk

Op het eiland Urk is relatief vroeg sprake van onderwijzers. In notariële akten uit Enkhuizen wordt in 1660 Harcke Barentsz al genoemd als ‘schoolmeester op den Eijlande Urck’. In het begin van de achttiende eeuw krijgt Urk Jan van Dompselaer, zoon van de schout, als schoolmeester. Hij is tevens koster en voorzanger. Een combinatie die menig schoolmeester na hem zal maken.

Een school was er nog niet en de kinderen, die vooral in de wintermaanden les krijgen, leren alleen de beginselen van het lezen, schrijven en rekenen. Dompselaer verdient tweehonderd gulden en ontvangt daarnaast nog schoolgeld. Meester Dompselaer wordt echter in 1747 van het eiland gejaagd wegens wangedrag, waaronder het vaak niet komen opdagen om les te geven. Hij wordt opgevolgd door Frans Hampsen, die sinds 1741 al ondermeester is op het eiland. Hij wordt daarnaast ook weer koster en voorzanger. Hij voldeed niet echt en wordt al spoedig opgevolgd door Ary Kroon. Ook hij vertrekt al weer snel en in 1749 komt Willem Leek. Hij moet bij zijn aanstelling ook een reglement ondertekenen dat door dominee Weerman en de kerkenraad is opgesteld. De betrokkenheid van de kerk is groot bij de openbare school, die ook invloed houden op de benoeming van de schoolmeesters. De school is zo een middel om de Gereformeerde geloofsbeschouwing over te dragen. Het leren van de catechismus is een belangrijke taak voor de oudste leerlingen. Een van hen mag deze op de zondagmiddag uit het hoofd in de kerk opzeggen en daarna wordt erover gepreekt. Aan het goed opzeggen van de catechismus werd ook afgemeten of de schoolmeester zijn werk wel goed deed. Al in de tijd van dominee Landt-Werven (1654-1681) is er in de middag al een catechismusdienst, en ook daaruit blijkt dat Urker schooljeugd dan al onderwijs krijgt.

Dominee Weerman, die van 1730 tot 1780, op Urk stond, heeft zich ingezet voor verbetering van het onderwijs op het eiland. Het aantal leerlingen bedroeg in de tweede helft van de achttiende eeuw tussen de 60 en 80 leerlingen.

De eerste school

Na meester Leek komt Reitsma en in 1776 meester Teunis de With. Hij krijgt als eerste de beschikking over een eigen school. Het is een houten loods, die op kosten van de stad Amsterdam wordt gebouwd. De loods wordt eigenlijk gebouwd omdat de bouwkundige staat van de kerk bedroevend slecht is. Er moet een nieuwe kerk worden gebouwd en de loods wordt als noodkerk neergezet. Het onderkomen van houten planken blijkt echter zo tochtig en koud dat het daar in de wintermaanden niet te harden is. Er is sprake van inslaande regen en sneeuw. Om dit te voorkomen wordt de loods aan de buitenzijde geteerd en de naden en openingen worden provisorisch dichtgestopt met leem en gehakt stro. Het blijft koud en bovendien is het nu in de zomer niet uit te houden van de hitte. Voor het lesgeven van kinderen is deze eerste school dus ook maar behelpen.

In 1786 komt de nieuwe kerk gereed en de loods blijft dan nog alleen nog in gebruik als school.

Ten tijde van de Bataafse Republiek krijgt het onderwijs serieuze aandacht van de overheid. Er komt wetgeving, invoering van nieuwe lesmethoden en meer vakken en toezicht. Ook op Urk worden de nodige veranderingen doorgevoerd en in het landelijk verslag wordt Urk zelfs als goed voorbeeld genoemd. De schoolcommissie die in 1805 wordt aangesteld bestaat uit: ds. J.H. Schmidt, G. Brands (schout), Hendrik Klaas de Haan (burgemeester), Jacob Cornelis Romkes (kerkmeester) en Jan Snoek (ouderling).

In 1806 wordt op Urk de 26-jarige Jan van Rulder benoemd als adjunct-onderwijzer, met de toezegging dat hij de oude meester De With bij overlijden zal opvolgen.

Prachtig nieuws is er als bij decreet van 16 juli 1807 koning Lodelijk Napoleon besluit om de kosten van een nieuwe school voor ’s lands rekening te nemen. Hij doet dit naar aanleiding van een bericht van de minister van Binnenlandse Zaken dat bij hem een verzoek is binnengekomen van het gemeentebestuur van Urk om iets te doen aan de problemen rond de school. Ze schrijven dat de school in zeer slechte staat is en dat het volstrekt onmogelijk is om hier gelden voor te vinden uit een of ander plaatselijk fonds of ‘uit den boezem der ingezetenen’.

Urk heeft een warm plekje in het hart van de koning. Onlangs had hij nog tien Urkers uitgenodigd die zich in dienst van de marine heel moedig hadden gedragen bij een reddingsactie. Hij geeft de minister de bevoegdheid om op de goedkoopste wijze een nieuwe school te realiseren. De kosten worden geraamd op zestien- à achttienhonderd gulden. De gemeente Urk heeft beloofd om het transport van materialen van het vaste land naar het eiland voor eigen rekening te nemen. Ook worden de voorwaarden gesteld dat de gemeente afstand moest doen van het huidige schoolgebouw en dat het onderhoud van de school voor rekening van het gemeentebestuur komt. De school zal dan wel eigendom blijven van het land.

Vooruitgang

In de oude school wordt in september 1808 een ‘plegtig schoolexamen en eene kleine prijsuitdeeling gehouden. ‘Schoolopziener Jacques Dozy en de plaatselijke commissie zijn bij dit schoolonderzoek aanwezig om te zien of de ijver van onderwijzer Jan de Rulder nog tot vorderingen heeft geleid. Prijzen zijn er voor de meest gevorderden Gerrit Koenraad Schenk, Joannes Hendrik Snijders, Gerrit Okkes de Boer, Willem Meindert de Vries, Harmen Dirkz., Jan Meinderts en Ide Klares Hofman. De overige kinderen krijgen ter aanmoediging een schoolprent. Bij de vermelding in het verslag over het landelijk onderwijs staat nog wel een oproep aan de edele en weldadige mensenvrienden om zich de belangen van ‘dezer talrijke, maar door het lot der tijden, armoedige jeugd, aan te trekken; en dezelve, met eenige bijdragen tot aankoop van benoodigde schoolbehoeftens te hulp te komen.”

Om onbekende redenen vindt nog geen nieuwbouw plaats, maar in 1810 besluit de minister van Binnenlandse Zaken om het gemeentebestuur van het eiland zelf extra geld te geven om de nodige schoolboeken en -behoeften aan te schaffen, omdat de jeugd meer en meer van onderwijs verstoken blijft.

Meester De Rulder vertrekt in 1810 en werd opgevolgd door Pieter Schuurman als adjunct-meester. Hij is opgeleid om les te geven volgens de nieuwe lesmethoden. Om de komt naar Urk aantrekkelijker te maken, wordt het salaris door de koning verhoogd en krijgt hij een jaarlijkse toelage van 200 gulden. Zijn voorganger, De Rulder, moest het doen met 200 gulden en de verwachting was dat hij daarnaast nog 40 tot 50 gulden als schoolgeld kon binnenhalen.

Na de Franse tijd krijgt ons land weer een koning uit het Oranjehuis. Koning Willem 1 draagt het onderwijs ook een warm hart toe. Was het tijdens het Ancien Regime voldoende voor de lagere standen in ons land om alleen wat te kunnen rekenen en de bijbel en de catechismus te kunnen lezen, van Willem 1 moesten ook de ‘eenvoudigen in den Lande’ de mogelijkheid hebben om door middel van goed onderwijs volwaardige democratische burgers te worden in zijn verlichte koninkrijk.

Eindelijk een goede school

Schuurman wordt in 1812 eerste meester als Theunis de With op hoge leeftijd overlijdt. In 1816 wordt de oude school op kosten van de overheid nog weer wat opgelapt.

In 1818 vertrekt meester Schuurman naar Delden en is de school enige tijd vacant. In het landelijke tijdschrift voor het onderwijs wordt de oproep gedaan dat ‘het Zijner Majesteits wil en welbehagen is om beschaving, zedelijkheid en welvaart op dit eiland krachtdadig te bevorderen’ en dat bevoegde sollicitanten worden opgeroepen om te solliciteren. Het vast tractement wordt dan bepaald op 600 gulden per jaar en een vrije, nieuwe, geheel vertimmerde woning. Vier sollicitanten melden zich en Lammert Vis wordt benoemd. Lammert Vis blijkt een goede onderwijzer te zijn, al zijn er wel wat aanmerkingen op zijn zangtalent in zijn rol als voorzanger.

Dan komt ook eindelijk de nieuwe stenen school. In het landelijk schoolnieuws wordt in augustus 1820 genoemd dat op Urk ‘van ’s Koningswege een geheel nieuw schoolhuis en vertrek is gebouwd’. De gemetselde school wordt iets verderop in de straat gebouwd. De Oranjekoning had dus de belofte van zijn voorganger op zich genomen.

In het landelijke schoolnieuws lezen we dat er op 24 mei 1825 opnieuw een openbaar examen met prijsuitreiking plaatsvond. Het was een hele plechtigheid door de aanwezigheid van een commissie van het gemeente- en kerkbestuur. Rekenen, taal, aardrijkskunde, natuurkunde, lezen (proza en poëzie) en bijbelkennis. Het geeft aan dat het onderwijs toen al behoorlijk uitgebreid was. Voor de beste leerlingen waren er fraaie boekjes. Lammert Vis werd geprezen voor zijn uitstekende onderwijs. Het verslag van de schoolinspektie geeft weer dat het hele onderzoek plaatsvond onder grote belangstelling van ‘inboorlingen en vreemdelingen, met het Pinksterfeest, op den jaarlijkschen kermis, hier tegenwoordig.’ Het geheel werd afgesloten met het zingen van het vierde en tiende vers van het 29e der Evangelische Gezangen. Het geeft aan dat de Urker openbare school in de praktijk een christelijke school was.

Gespannen verhoudingen

Uit het jaar 1839 is nog een verslag bekend van de provinciale schoolopziener Wijnbeek. Hij bezoekt het eiland voor een schoolinspectie en heeft daarbij ook een ontmoeting met de Hervormde predikant die blijkbaar zijn hart heeft gelucht! Op Urk verkeert de bevolking nog midden in de perikelen van de Afscheiding van de Hervormde kerk, wat de onderlinge verhoudingen er niet beter op heeft gemaakt. Het eiland is in twee kampen verdeeld. Wijnbeek geeft in zijn relaas verder nog iets weer van de wijze waarop de Urker kinderen onderwijs kregen. ‘Ten slotte moet ik nog gewagen van de door mij bezochte school op het eiland Urk. Het schoollokaal staat op zichzelf en is vrij goed, doch de schoolmeubelen zijn gebrekkig. De kleintjes zitten op banken zonder lessenaartjes. Zij hebben geen leitjes om zich te oefenen. In plaats van een letterkas is er een plank met een richel, waarop losse letters, op bordpapier geplakt, gezet worden. Voorts wordt er ouderwets gespeld, gebrekkig gelezen, iedere twee of drie kinderen hebben een afzonderlijk boekje. Het schrift is middelmatig. De onderwijzer Vis is ‘wiskunstenaar’. Vandaar dat de rekenkunst er het beste beoefend wordt, daaronder begrepen de kennis van de nieuwe maten en gewichten. Van de bijbelse geschiedenis werd enig werk gemaakt. De onderwijzer schikt zich enigszins naar de hier heersende vooroordelen. In 1836 heeft de afgezette predikant De Cock van Ulrum dit eiland bezocht. De fanatieke geest die er reeds heerste, werd verder aangeblazen en er door een Friese oefenaar overgebracht. Het is er voor iemand die verlicht denkt, niet uit te houden, en zo’n iemand is de predikant (P.J. ter Plegt). Deze man zucht en ‘verkwijnt’ onder het verdriet van zich miskend en verlaten te zien door het grootste gedeelte van zijn gemeente. Het gehele gemeentebestuur is fanatiek. Er is dus hier aan verbetering van het schoolonderwijs niet te denken.’

De groei van Urk gaat door en het lokaal moet wel overvol zijn geweest. Er moet dus hoognodig uitbreiding komen. Het Rijk verleent in 1845 een subsidie van 1150 gulden en uit provinciale fondsen wordt 1550 gulden verstrekt voor vergroting van de school. Er wordt een tweede lokaal aangebouwd.

In 1856 overlijdt meester Vis en in zijn plaats komt zijn schoonzoon Joh. Gerssen, die dan al ruim acht jaar als ondermeester op de school werkt.

Al snel blijkt men weer te kampen met ruimtegebrek. Er komt subsidie om in 1864 een drieklassige school te bouwen op de plek waar nu museum Het Oude Raadhuis is gevestigd. De oude school wordt verbouwd tot burgemeesterswoning. De burgemeesters Kagei en Van Suchtelen hebben hier nog gewoond. Het achterste gedeelte, ooit dus het eerste schooltje, wordt nu de Urker Rechtskamer. De burgemeester en zijn Urker wethouders komen hier bij elkaar om het wel en wee van het eiland te bespreken. Nu is het pand in gebruik als De Oude Bakkerij, met als adres Wijk 4-20.

In 1869 telt Urk op papier 225 leerlingen. Naast Gerssen zijn er de ondermeesters K. Koffeman en J. Nentjes. In 1874 besluit de gemeenteraad om geen nieuwe leerlingen meer toe te laten, omdat de school te klein is geworden. De school wordt vergroot en een derde hulponderwijzer wordt benoemd. In totaal wordt er dan door vier onderwijzers les gegeven, met daarnaast nog een aantal kwekelingen. Het is zeker niet het geval dat alle kinderen tot en met de zesde klas op school blijven. De meesten verlaten de school al veel eerder. Het Algemeen Handelsblad meldt in 1874 dat van de 270 schoolgaande kinderen er slechts één, een meisje, de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt.

Een echt grote school

Aan alle ruimtegebrek komt voorlopig een eind als in 1896 een geheel nieuwe 12-klassige school wordt gebouwd bij de vuurtoren. De vleugel van de voormalige school wordt in 1897 verbouwd om als gemeentehuis te dienen. Daarna worden beide vleugels van de school verbouwd tot woning voor de dokter en de burgemeester. Het middenstuk maakt plaats voor een nieuw gemeentehuis naar ontwerp van Johan Frederik Lodewijk Frowein.

Met de nieuwe school is Urk klaar voor de leerplicht die in 1900 van kracht wordt. Het is wennen, want De Telegraaf van 14 mei 1901 bericht dat van de 553 leerlingen er ongeveer honderd jongens en meisjes boven de tien jaar de school voor enige weken hebben verlaten om hun ouders te helpen bij de visserij en de verwerking van ansjovis. De school vindt uiteindelijk een probaat middel om de kinderen weer op school te krijgen door ook de andere kinderen van het gezin naar huis te sturen als een van hen zonder wettige reden wegblijft. ‘Want hoe noode zij de hulp ook misten, de last om op de anderen het oog te houden was veel tijdroovender’, aldus de Goudsche Courant van 12 augustus 1901.

De nieuwe school is dan nog steeds een openbare school. Vooral om financiële redenen, want openbaar onderwijs wordt door de overheid bekostigd. Een christelijke school moet je zelf betalen. In 1917 komt er een nieuwe wet waarin de overheid ook christelijke scholen gaat bekostigen. Voor de Urkers komt dan al snel het moment om een christelijke school te stichten. Dit lukt in 1927, en omdat alle Urkers hun kind naar de christelijke school sturen, is de openbare school niet meer nodig. Het gebouw wordt gebruikt voor christelijk onderwijs en krijgt dan de naam: Wilhelminaschool.

De natuurlijke aanwas zorgt al snel weer voor ruimtegebruik en het aantal leerlingen is zo groot dat het schoolbestuur besluit om hier om organisatorische redenen twee scholen in te vestigen, de andere school gaat dan Rehobothschool heten. G. Heetebrij wordt hier hoofdonderwijzer, terwijl J. Loosman deze functie vervult op de Wilhelminaschool.

Vanaf het begin van deze splitsing is het gebouw eigenlijk al te klein. Soms hebben bijna honderd kinderen vrij vanwege ruimtegebrek. De scholen lossen dit op door de ene dag klas 1 en de andere dag klas 2 vrij te geven. Dit mag niet van de inspecteur en na overleg wordt besloten elke week een klas vrij te geven. De ene week een klas van de Wilhelminaschool en de andere week een klas van de Rehobothschool. In 1931 wordt dit probleem opgelost als op de fundamenten van de oude school een vrijwel nieuwe school wordt gebouwd, voorzien van een bovenverdieping. Architect is de bekende Cornelis Kruyswijk.

Ook deze school zal al weer snel te klein blijken. Vele nieuwe basisscholen zullen nog volgen. Urk groeit door en is nog steeds een bijzonder jeugdige gemeente.

Bronnen:

Bijdragen ter bevordering van het onderwijs.
Noord-Hollands Archief
Geschiedenis van het Eiland Urk, C. de Vries
Krantenarchief Koninklijke Bibliotheek





Plattegrond van Urk met daarop de noodkerk/school.




De tekening van de eerste school. Noord-Hollands Archief.




De tekening voor de vergroting van de school in 1844. Noord-Hollands Archief.




De advertentie voor de aanbesteding van nieuwe school in 1863.




Op 11 mei 1897 wordt de nieuwe 12-klassige school in gebruik genomen.




De voormalige school werd na 1864 verbouwd tot burgemeesterswoning.




De juffen van de openbare school eind negentiende eeuw.




Een schoolklas rond 1900.




De meesters van de openbare school eind negentiende eeuw.




Lesgeven op Urk in 1901.




In 1931 wordt er een nieuwe school gebouwd met twee verdiepingen.