De groei van de vloot

De voorzieningen voor de visserij worden ook steeds beter. Het eiland heeft inmiddels een eigen taanderij voor de zeilen en netten. In 1819 krijgt Urk een eigen haven aan de zuidzijde van het bewoonde hoge gedeelte. Tot die tijd ligt de vloot op de rede in een bocht aan de noordoostzijde van het eiland, het Hop, begrensd door een zandrug (de Staart) en een hoofd, waaraan slechts de kleinste scheepjes kunnen afmeren. De vloot loopt daardoor bij stormen vaak behoorlijke schade op en drijft soms zelfs losgeslagen op zee.

De vloot groeit gestaag door. Voor de veiligheid op de Noordzee worden de schepen ook steeds groter en zeewaardiger. Urk heeft geen specifiek eigen vissersschip, het is een mengeling van scheepstypes met vaak wel een hellende steven, zoals die typerend is voor de schokker.

In 1840 krijgt Urk de eerste eigen scheepswerf voor het onderhoud en de bouw van vissersschepen. Rond 1850 telt de vloot 130 schepen. Af en toe zijn er goede jaren, bij een goed haring- of ansjovisseizoen. Over het algemeen is de toestand van de visserij echter verre van rooskleurig. ’s Winters en in tijden van slechte vangsten moet een deel van de bevolking door de provincie onderhouden worden en er verschijnen regelmatig oproepen in de landelijke pers waarin een beroep wordt gedaan op liefdadigheid.

Grote armoede

De Noordzeevisserij is voor de Urkers al vanaf het begin van de negentiende eeuw belangrijk. De vis wordt verkocht aan de stranden op de Noordzeekust of in de havens langs de oost- en westkant van de Zuiderzee, van Genemuiden tot Amsterdam.

Tussen 1850 en 1886 zijn de vangsten zeer slecht en kent het eiland een periode van armoede. Ansjovis, gevangen in de Zuiderzee, vormt in de negentiende eeuw in de zomer een nieuwe inkomstenbron. Deze visstand ontwikkelt zich en de vis is, ook door de steeds sneller wordende zeilschepen zoals de botters, nu met het sleepnet te vangen.

Bijna alle Urkers nemen in het voorjaar deel aan de haringvisserij, daarna trekken de grotere schepen naar de Noordzee. In mei/juni wordt gekeken hoe de ansjovisvisserij zich laat aanzien en wordt bepaald of de vissers met de kuil de Zuiderzee weer opgaan of gewoon op de Noordzee blijven.

Door een zeer goed ansjovisjaar brengt 1890 voor korte tijd enige economische verbetering, maar daarna gaat het weer slechter. Het best gaat het nog met de zogenaamde landers, de middenstanders die ook de tachtig tot honderd koeien op het eiland in bezit hebben. Zij zijn ook vaak eigenaar van diverse vissersschepen.

Haring en ansjovis trekken naar de Zuiderzee om te paaien en in die periode trekt Urk veel schepen uit andere vissersplaatsen. De haven ligt overvol met allerhande schepen, soms tegen de vijfhonderd. Gevist wordt er met staand en gaand want, zoals haringreepnetten, haringzegen, ansjovisnetten en de wonderkuil. Urk is in het haring- en ansjovisseizoen het centrum van de Zuiderzeevisserij. De ansjovis wordt op het eiland verwerkt; de haring wordt er verkocht en voor een deel gerookt. In 1903 krijgt Urk een nieuwe buitenhaven en in 1905 start de gemeentelijke visafslag voor de verkoop van de Zuiderzeevis.

Wat de Noordzeevisserij betreft komt er met de start van het Staatsvissershavenbedrijf te IJmuiden in 1880 aan de mond van het in 1876 gereedgekomen Noordzeekanaal voor de Urkers een nieuwe uitvalsbasis bij. Ondanks de gehechtheid aan het eiland vestigen veel Urkers vissers zich begin twintigste eeuw in IJmuiden en Den Helder om zo dichter bij hun visgronden te zijn.

Eind negentiende eeuw gaat echter de beugvisserij op schelvis verloren. Jarenlang is op 1 november de beug in orde gemaakt en aan boord gebracht, omdat die maand de schelvis op de kusten verschijnt. In twee maanden tijd wordt in een goed jaar genoeg verdiend om de rest van de winter door te komen. Door allerlei oorzaken verschijnt de schelvis steeds minder en door toegenomen handelsvaart wordt het beugvissen ook minder aantrekkelijk. Urkers grijpen alles aan om economisch te overleven en monsteren aan op de haringvisserij. In de winter komen de bom- en loggerschippers naar het eiland om mensen voor de haringteelt op de Noordzee te huren. Bij een goede visserij kunnen ze in een seizoen van 20 tot 25 weken (juni/november) flink verdienen. In 1903 varen er 150 Urkers op de logger en ontstaat er zelfs een personeelstekort op de eigen vloot, die dan al uit ruim 200 botters met vaste dekken bestaat. Meer dan de helft daarvan vist dan alleen op de Noordzee. Urk is de enige Zuiderzeevissersplaats die zich ook in de twintigste eeuw blijft richten op de Noordzeevisserij. De Eerste Wereldoorlog zorgt voor voedselschaarste en hoge prijzen. De Urkers weten hierdoor goede besommingen te maken. Het stelt Urk in staat om de vloot te vernieuwen en tot motorisering van de Noordzeevloot over te gaan. De Urker vloot blijkt, mede dankzij de steunmaatregelen die voortvloeien uit de Zuiderzeewet, in staat om de afsluiting van de Zuiderzee te overleven.

Visserijnummers

Op 21 juni 1881 wordt in Nederland de Wet registratie vissersvaartuigen bij Koninklijk Besluit van kracht. Voor het eiland Urk worden de letters UK ingevoerd. Het duurt nog een jaar voordat op Urk de eerste vaartuigen worden ingeschreven. Op zaterdag 22 juli worden de eerste schuiten en botters geregistreerd, op volgorde van binnenkomst van de eigenaren in het gemeentehuis. In 1882 worden in totaal 179 grote vissersschepen ingeschreven. Daarna volgt de verplichting om ook kleinere vissersschepen in te schrijven zoals vletten, jollen en roeiboten, die veelal eigendom zijn van gelegenheidsvissers. Deze eigenaren vissen vaak alleen in het haring- en ansjovisseizoen. Ook is een aantal van deze vaartuigen in eigendom van oudere vissers, die rondom het eiland zo in hun levensbehoefte kunnen voorzien. Eind 1886 hebben 274 schepen een UK-nummer.

Urker Noordzeevissers liggen meestal afgemeerd in de havens aan de Noordzeekust.
De aanvoer van de eerste haring op de visafslag van Urk.
Urker vissers bezig met netwerkzaamheden op het dek van de zeilbotter.
De zeilbotters liggen afgemeerd in de Oosthaven in het begin van de twintigste eeuw.