Hout wordt staal, zeil een diesel

Over de omvang van het aantal vaartuigen en de verschillende typen van de Urker vissersvloot in de negentiende eeuw bestaan uiteenlopende berichten in de literatuur. Onduidelijk in de meeste tellingen is of het gaat om specifieke schepen of een totaalsom van allerlei vaartuigen. Omdat de Urkers al vroeg actief zijn op de Noordzee en Zuiderzee, is dat van invloed op de gebruikte scheepstypen. De invloed van de Zuiderzee is echter groot. Immers, dit is de zee die het eiland omringt.
In de hele ontwikkeling van scheepstypen voor Zuiderzee en Noordzee is sprake van een uitwisseling tussen de scheepsbouwer en de vissers. Omdat de Zuiderzee op de meeste plekken niet diep is, ontwikkelen zich rond- en platbodems. Het ontbreken van een kiel wordt gecompenseerd door zijzwaarden. De zeilvaartuigen zijn tussen de 9 en de 17 meter lang.
In de laatste twee decennia van de negentiende eeuw bestaat de Urker vloot voornamelijk uit schokkers of ‘skeuten’. Hierbij moet opgemerkt worden dat er onduidelijkheid bestaat over de exacte benaming van het type schepen in de negentiende eeuw. Op Urk wordt onder de benaming ‘skeut’ zowel de kleinere bons als de grote Noordzeeschokker verstaan.
De vlootlijst in Van Keulen’s Almanak uit 1887, opgemaakt naar de officiële gemeenteregisters eind 1886, geeft het volgende overzicht: 129 schuiten, 73 botters, 60 boten en 6 overige, met een totaal van 268 nummers.
Bijna twintig jaar later zien we dat het aantal botters sterk gegroeid is, ten koste van het aantal schokkers. Redekes ‘Rapport over onderzoekingen betreffende de visscherij in de Zuiderzee’ uit 1905 laat de verschuiving zien: 49 schuiten, 120 botters, 23 aakjes, 14 aken, 2 blazers, 9 boten en 2 sloepen, met een totaal van 219 nummers.
De verschuiving van ‘skeuten’ naar botters en de toename daarvan, heeft volgens wijlen scheepstimmerman Klaas Hakvoort te maken met de vorm van de boeg van het schip: ‘Door die platte kop gaf hij klappen in het water. Een botter ving dat wat beter op.’ Een botter had volgens de kenners prettiger vaareigenschappen.
De bons is een kleiner type botter en een voor de Oostwal, Vollenhove en Elburg, typerende vaartuig. Hier is een geringe diepgang vereist. Dit leidt tot een brede, platte scheepsvorm. De bons is wat lichter gebouwd dan de botter en de grootsten waren ruim 12 meter lang.
Aan het eind van de negentiende eeuw is sprake van een aantal goede ansjovisteelten en met het verdiende geld worden dan veel ‘skeuten’ vervangen door botters.
Na deze verschuiving blijft het aantal botters definitief het grootst van de Urker vissersvloot. Rond de eeuwwisseling is de botter het belangrijkste scheepstype van de Zuiderzee. De botter is voor de visser het enige middel van bestaan, vaak op afbetaling en voor twee vissers met vaak een ‘dordemannetjen’, hun huis voor het grootste deel van de week. Verdere ontwikkeling van vissersschepen blijft dan ook beperkt tot de botters.

Oorsprong en ontwikkeling van de botter

Het duurt tot de tweede helft van de achttiende eeuw voordat in de scheepsbouw van enige wetenschap sprake is. De ontwikkeling van scheepsbouw en scheepsvormen wordt lange tijd door de traditie bepaald. Pas hierna wordt het een en ander aan het papier toevertrouwd. Daarvoor bouwt men uit het hoofd of met behulp van mallen.
De botter krijgt pas in het midden van de negentiende eeuw zijn uiteindelijk vorm. Men is het er wel over eens dat de oude ‘togenaar’, ‘tochtschuit’ of ‘waterschip’ als de voorvader van de latere botter moeten worden beschouwd. Deze scheepstypen zijn allen afkomstig uit de Franse scheepsbouw. De ‘tochtschuit’ wordt al genoemd in vroeg zestiende-eeuwse kronieken, onder meer in een beschrijving van een aanval van Geldersen op de Waterlandse wal in 1504.
Waterschepen worden beschreven door P. le Comte in zijn Vijftig afbeeldingen van schepen en vaartuigen. Waterschepen worden zowel voor vis- als sleepdoeleinden gebruikt. Le Comte beschrijft in zijn boek onder andere de voormalige waterschepen van Marken. Zij verlenen hulp aan de grote schepen op het Pampus of het Muiderzand om tot voor Amsterdam te komen. De waterschepen staan bekend om hun sleepkracht. De laatste waterschepen worden gesloopt in 1827. Mogelijk heeft dit te maken met de totstandkoming van het Noord-Holland kanaal waardoor deze schepen niet meer nodig zijn. Le Comte merkt vervolgens op: ‘Thans vindt men op het eiland Marken een dertigtal botters… welke visschen en de buiten omkomende schepen over Pampus slepen’, waarmee we kunnen vaststellen dat een tijdlang de waterschepen en botters van die tijd naast elkaar hebben bestaan. Zowel waterschepen als de botter vissen met de kwakkuil en de vorm van het waterschip en de tochtschuit herinneren sterk aan de botter.

Le Comte spreekt in zijn Vijftig afbeeldingen ook over de botter en de kwak. In de achttiende eeuw wordt zowel van ‘botschuyten’ als van ‘Quack’ gesproken. Er zijn in die tijd dus meerdere typen naast de tochtschuit, sterk verwant aan de latere botter. De benaming ‘kwak’ verwijst naar botters die met de ‘kwakkuil’ vissen. Het is dus oorspronkelijk een verwijzing naar het type visserij wat men beoefende. De herkomst van de naam ‘botter’ is onduidelijk. Wel komen we veel verwijzingen tegen naar ‘botschuyt’ en ‘butterschip’.
Botters werden op veel plaatsen langs de Zuiderzee gebouwd. Zo zijn de belangrijkste werven in Huizen, Monnickendam, Harderwijk, Urk, Bunschoten, Durgerdam en Edam. Iedere plaats kent zo zijn eigen bouwwijze, aangepast aan de plaats waar en de manier waarop ermee wordt gevist.
Grofweg zijn er vier typen botters: (1) de Noord-walbotter, (2) de Gooise- of Zuidwalbotter, (3) de Volendammerbotter (kwak) en (4) de Urker (Noordzee) botter. De vier typen botters kunnen we weer onderverdelen in de Zuiderzeebotter, de kwak en de Noordzeebotter.
Volendammer- en Urker botters onderscheiden zich door hun grootte. Met een ‘botter’ bedoelde de Urker visserman een Noordzeebotter. Een ‘bottertje’ stond voor een Zuiderzeebotter.
De Noordzeebotter is bestemd voor visserij op de Noordzee en daardoor zwaarder gebouwd, het achterschip is hoger, maar heeft minder zeeg. De kwak lijkt eigenlijk op een gewone Zuiderzeebotter, maar is groter en zwaarder. Ook de kwak heeft minder zeeg.

De Zuiderzeebotter kent meerdere varianten. De Urker botter heeft een betrekkelijk klein vlak en ligt daardoor lager op het water. Het verschil in botters wordt bepaald door de vaar- en visomstandigheden. Per regio komen we verschillen tegen. Plaatselijk verschillen botters ook door de bouwwijze of de opvattingen van de bouwer.
De Noorzeebotter is ronder en zwaarder, met een vast dek en later een rond achterschip (motorkont). De Zuiderzeebotter in zijn uiteindelijk vorm is een ‘zeilend visserschip’. De romp en de zeilvoering zijn optimaal in harmonie in een solide, snel, doeltreffend en uniek schip. De botter evolueert in de loop van de achttiende, begin negentiende eeuw en krijgt waarschijnlijk rond 1850-1860 de uiteindelijk vorm op de werf van Nieboer te Spakenburg.

Urker botter

De Urker Zuiderzeevloot bestaat uit een mengelmoes van alle soorten botters die langs de Zuiderzee gebouwd zijn. De meeste Urker botters worden gebouwd in Monnickendam en Huizen. Ook op Urk worden botters gebouwd op de werf van Roos, Metz en Hakvoort.
Het achterschip van de Urker botters loopt iets spitser toe dan de Noord- en Zuidwalbotter. De tuigage wijkt echter niet af van andere botters. Wel hebben de Urkers vaak een uitneembaar loopdek op bun hoogte. Het lage achterschip veroorzaakt problemen op de Noordzee. De kleine en lage botters zijn niet geschikt voor de Noordzee en daarom volgen er allerlei aanpassingen. Omdat Urker vissers vaak en op de Noordzee en op de Zuiderzee actief zijn, kent men op Urk ook botters met een voor Zuiderzeebotters robuuste uitvoering. Op deze botters zijn de voor de Noordzeebotter kenmerkende details gedeeltelijk aanwezig. Zo worden er robuustere botters gebouwd die voorzien zijn van zgn. ‘zetboorden’. Uiteindelijk ontstaat de specifieke Noordzeebotter met een gesloten achterschip. Een voorbeeld van zo’ robuustere Zuiderzeebotter is de UK 12. Deze voormalige BU 58 is gebouwd als UK 115 op de scheepswerf in Huizen. Als BU 58 behoort deze botter tot de laatste botters die in 1958 de zeilende visserij uitoefenen. In 2003 wordt de botter eigendom van Stichting Urker Botter en omgenummerd naar UK 12.

Details Urker botter

De Urker botter kent specifieke details die we niet bij andere botters tegenkomen. Om te beginnen de zgn. ‘snars’, Urker botters kenden deze dubbele steven waartussen een rol was aangebracht. De dreg op de botter lag bij Urkers tussen de snars op de rol. In vroeger tijd kon deze met behulp van de ‘braadspil’ binnen worden gehaald. De meeste botters hebben een braadspil (ankerspil). Deze is meestal sigaarvormig en steekt met de punten in het schildboord (van voren af volgend op het krophout). De las tussen krophout en schildboord en as van het ankerspil wordt afgedekt met zgn. ‘schelp’ of ‘schulp’. De Urker braadspil staat echter op het dek. De as van het braadspil rust in staande poten en is met een gietijzeren band verankerd aan krophout en dek. Terwijl bij botters het ‘lijfhout’ van het voordek binnen het boeisel vallen is dit bij Urker botters niet he geval. De lijfhouten lopen gelijk aan de rand van het dek en het boeisel staat vervolgens op de lijfhouten. Dit lijfhout is dus ook zichtbaar tussen boeisel en zetboord. Bovenop het lijfhout staan (doorlopend tot voorbij de zwaarden) de zetboorden. De zetboorden geven meer beschutting tegen water en wind. De bolders op het voordek staan in lijn met knieën tegen de zetboorden. De Urker botter kent een verlengd voordek, d.w.z. dat het voordek doorloopt tot voorbij de mast. Het voordek wordt afgesloten door de waterbalk. Bij andere botters ligt de waterbalk voor de mast, maar bij de Urker botters achter de mast. Op die waterbalk vinden we ter hoogte van de zwaardbolders een metalen grip waaraan de zwaarden zijn bevestigd. Deze hangen dus niet zoals bij andere botters aan de zwaardbolders, maar aan de waterbalk. Vlak voor de waterbalk vinden we een paar stokpompen. Deze komen uit op de voorhoos. Achter het zetboord ter hoogte van de zwaarden zitten halvemaantjes ter ondersteuning. De stuurboog op het achterhuisje is hoger bij Urker botters en tenslotte: de helmstok heeft een Urker – oplopend –model – van echt acaciahout. Zoals we veel religieuze symboliek in de Urker klederdracht vinden, zo heeft de oplopende de helmstok dit ook. Het oplopende verwijst naar boven en de houtsoort – zo mogelijke acacia – verwijst naar het gebruik in de Bijbel. Het achterdek loopt vaak net als de lijfhouten van het voordek door tot op het boeisel. Net als andere botters schildert de Urker de zwaarden soms wit, dit vaak ter herkenning. De verder versiering op de botters wordt bepaald door de eigenaar.

In het vooronder verschilt de Urker botter niet veel van de andere Zuiderzeebotters. De spreuken op het deurtje zijn vaak religieus en die in het vooronder – op de kooiplanken – humoristisch, of soms op de stuurboog waar het helmhout op rust.

De kleuren van en op de botter wordt bepaald door de plaats van herkomst. Op Urker botters vinden we dus Urker kleuren terug. Vaak komen we het gebruikelijke ‘prinsenwerk‘, rood-wit en blauw, tegen boven het deurtje, tegen de stuurboog op het achterhuis en op de roerklamp.

Urker Noordzeebotter

Omdat alleen de visserij op de Zuiderzee niet het hele jaar voldoende lonend is, vissen de Urkers ook op de Noordzee met hun botters. Dat met name de Noordzee bij storm voor veel gevaar zorgt blijkt wel uit het grote aantal schepen dat in de loop der jaren is vergaan. In de negentiende eeuw vergaan er maar liefst 188 botters, mat als rampjaren 1868 (28 schepen) en 1883 (31 schepen). In de twintigste eeuw vergaan er 168 schepen, waaronder botters en kotters. Om de stormen te doorstaan worden de schepen steeds groter en zeewaardiger en hierdoor ontstaat ook de ‘Urker Noordzeebotter’. Samen met de Volendammer vissers (met hun Volendammer kwakken) onderscheiden Urkers zich van de rest van de Zuiderzeevissers. Urk heeft wel de meeste Noordzeebotters die vaak voorzien zijn van drie vaste dekken. Voorin de plecht, vlak achter de mast afgesloten door een zware waterbalk. Achter de waterbalk ligt, iets lager het middendek met boven de bun een opening waarin opkomend water weg kon stromen. Dit vaste dek vormt een verbetering ten opzichte van een eerdere opstelling van losse planken. Frans de Jong: ‘Daar zijn er heel wat ongelukken mee gebeurd, want dan kwam er een slok water over en kreeg je dat in je schip. Later stroomde dat in ’t bun. We hebben vaak genoeg ’t bun opengegooid als ’t slecht weer was, zodat het in ’t bun liep als er wat over kwam.’ Het achterdek ligt weer iets hoger, met aan beide kanten een spuigat naar buiten. De overloop van de grootschoor vinden we hier ook met soms een luik voor achter- en onderin. Deze Noordzeebotters waren ronder en groter, en daarmee dus steviger.

Begin twintigste eeuw doet de motorisering haar intrede in de botterwereld. Urkers zijn vooruitstrevende mensen en doorzetters. Dit zien we onder andere in de modernisering van de vloot. Terwijl de Volendammers op een bepaald moment (na het vergaan van een aantal Volendammer botters) besluiten om de Noordzee te verlaten en zich terug te trekken op de Zuiderzee, gaan de Urkers door.

Motorisering

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog wordt door de Kromhout Motoren Fabriek van de familie Goedkoop te Amsterdam de middeldruk dieselmotor ontwikkeld voor de scheepsvaart. Verschillende typen worden in kleinere vaartuigen gebruikt. Veel van deze vaartuigen behoren tot de kustvissersvloot.

In 1914 wordt er in de UK 64 van Willem de Vries en zijn zoon Wouter, als eerste van de Urker vloot, een Kromhout Middendruk dieselmotor geplaats. Hier is een behoorlijke verbouwing van de botter voor nodig. De achterste van de vier bunnen wordt drooggemaakt om ruimte te maken voor de motor. De houtconstructie moet flink versterkt worden en een motorfundatie moet worden aangebracht. Ook wordt er een extra achterhoofdschot aangebracht. De schroefas wordt geboord en in de achtersteven wordt een schroefraam gemaakt. De hele operatie wordt begeleid door de motorfabriek die de 20 pk-middeldrukmotor levert en plaatst. Exclusief verbouwing kost de motor fl. 2500,-. De Vries neemt een groot risico, maar het wordt ook een groot succes. Later blijkt de stap een grote omwenteling in de toen kleinschalige kustvisserij te markeren.
In het begin blijft de botter nog hetzelfde: zeil en vistuig, zwaarden en helmstok. De motor was eigenlijk nog een hulpmotor. De werkelijke kracht was 16 pk.

De verdere ontwikkeling en voortgang wordt onderbroken door de Eerste Wereldoorlog, waarin schaarste is aan materialen. Daarna volgen er meerdere botters die voorzien worden van een motor. Door het gebruik van de motor, die steeds meer hoofdvoortstuwingsbron wordt, wordt ook de bouw van de botter beïnvloed. Het aantal pk’s groeit van 20 naar 30. Ook de vistuigen veranderden. Er ontstaat een visserij met borden in plaats van de boom om het net open te houden. De motor kon aan gebruikt worden als lieraandrijving en hiermee komen er lieren aan boord om de netten binnen te halen. Hierdoor kan ook het netwerk zwaarder worden en wordt het werk voor de vissers een stuk lichter.

De Urkers vissen rond 1900 veel langs de Noordzeekust uitsluitend met de kor. De grote botters vissen bij Terschelling, de kleinere botters van Den Helder tot Scheveningen en de allerkleinsten vissen bij Scheveningen. De ‘bordenkor’ wordt al ongeveer vanaf 1912 populairder omdat de borden de kor verder openhouden. De ‘stokkor’ verdwijnt nagenoeg helemaal wanneer blijkt dat de bordenkor een voordeel oplevert bij een constante trekkracht, zoals bij motorbotters.
De motorisering zet zich door. In de jaren ’30 staat in het merendeel van de Urker vissersschepen een dieselmotor van twintig of dertig pk. Bij de vloot van andere Zuiderzeeplaatsen blijft de zeilvisserij toonaangevend. Slechts een enkeling besluit tot het inbouwen van een eenvoudige hulpmotor. De laatste houten Noordzeebotter wordt in 1928 in Monnickendam gebouwd.

Als de ontwikkeling zich doorzet worden de botters omgebouwd. De scheepswerven hebben het er druk mee. Wijlen Klaas Hakvoort: “Al die konten, we hebben er wat verbouwd. Omdat ze niet allemaal hetzelfde waren verschillende gemotoriseerde botters ook weer van elkaar… En die stuurkasten. Als we een botter verbouwden wist ik precies hoeveel hout ik nodig had voor een stuurkast”. De houten botters krijgen een ronde kont, een vast dek en later een stuurhut. In het begin hadden de botters alleen nog een schot dat hen beschutte. Een stuurhut werd een slaaphut genoemd. De helmstok verdwijnt en maakt plaats voor een stuurrad. Het roer krijgt een plek onderwater en de zeilen gaan van boord.
Daarnaast komen er ook veranderingen in het bewaren van de vis, het ‘visstrippen’ doet z’n intrede. Groot voordeel is dat de motorbotter een stuk veiliger is omdat schepen naar binnen kunnen gaan als zwaar weer op komst is.

De hele modernisering en omschakeling naar de Noordzee krijgt een stimulans door de Zuiderzeesteunwet. Deze biedt belanghebbenden de mogelijkheid om geld te lenen het visserijbedrijf aan te passen. De met deze regeling gebouwde ijzeren botters worden ook wel ‘regeringsbotters’ genoemd. In een tijd (1931-1946) waarin de visserij zeer moeilijk is, worden zo meerdere ijzeren Noordzeebotters gebouwd met steun van het Rijk.
De laatste Urker zeilvisserij komt nog goed van pas als er in de Tweede Wereldoorlog gebrek aan brandstof is, maar verdwijnt na de oorlog al snel. Veel vroeger dan in de andere oude Zuiderzeeplaatsen. In 1949 zijn er op Urk nog 38 houten motorbotters, maar hout wordt daarna definitief staal.

Het duurt tot 2003 voordat er weer een houten-zeilende-motorbotter naar Urk komt. Het is de BU 58, gebouwd als UK 115. De botter behoorde als BU 58 in 1958 tot een van de laatste zeilende visserijbotters. De botter is aangeschaft door Stichting Urker Botter en krijgt het nummer UK 12. In 2009 wordt de UK 12 overvaren op het IJsselmeer. In 2013 komt de volledig gerestaureerde botter weer in de Urker haven, weer voorzien van alle voor de Urker botters zo kenmerkende details.

Bronnen

Comte, Pieter le. Afbeeldingen van schepen en vaartuigen, in verschillende bewegingen. Amsterdam: Kaal, 1831. Van Keulen’s almanak voor de zee-visscherij. (Noordzee, Zuiderzee en Schelde.) Amsterdam: H.G. Bom, 1887. Redeke, H.C. Rapport over onderzoekingen betreffende de visscherij in de Zuiderzee, ingesteld in de jaren 1905 en 1906. ’s Gravenhage: Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel, 1907. Dorlijn, Peter. ‘Urk en de visserij begin 1900. Het levensverhaal van Frans de Jong (1894-1995)’ in: BotterNeis nummer 22, jaargang 12. Urk: Stichting Urker Botter, 2015.

Tekening van LeComte waarop de waterschepen worden ingezet als sleper.

Reconstructietekening van een opgegraven waterschip laat de sterke verwantschap zien met de botter

De togenaar is de voorvader van de latere botter.

De schokker, met de typische rechte steven, was in de negentiende eeuw het meest gebruikte schip voor de Urkers.

Motorbotters in de jaren veertig

Hout maakt plaats voor staal op de werf van Hakvoort op Urk