Een haven als rustpunt

Naarmate de schepen groter worden, wordt een haven steeds noodzakelijker. Al in 1747 komt de Amsterdamse burgemeester Willem Munter, de Heer van Urk en Emmeloord, naar Urk om de aanleg van een haven te bespreken. De Urkers meren hun schepen dan af aan de rede in het Hop, in de beschutting van het eiland. De vissers moeten van uit het dorp ruim een kilometer lopen om bij hun schepen te komen. Er varen drie veerschuitjes die de vissers naar de schuiten brengen die op de Rede liggen afgemeerd. Voor de winter worden de kleinere schepen met mankracht op het droge bracht, om ze voor storm en ijsgang te behoeden. De grotere schepen worden in andere havens opgelegd, waaronder Enkhuizen. Daardoor zijn de schuiten, ook wanneer het weer het vissen wél toelaat, niet meer te bereiken.

De vraag aan de Heer van Urk is dan ook om op het eiland een eigen haven aan te leggen. Hij komt naar Urk om de situatie op te nemen en te overleggen hoeveel de vissers zelf kunnen bijdragen. De vissers antwoorden schriftelijk dat elke schuit jaarlijks wel acht, tien of twaalf gulden wil bijdragen. Vervolgens wordt Matthijs den Berger, opzichter van ’s lands werken te Texel en Den Helder, naar het eiland gestuurd om ter plaatse de toestand op te nemen. Hij berekent dat de 43 grotere schuiten elk acht gulden moeten bijdragen. De opbrengst van het gebruik van de haven door passanten wordt begroot op 2500 keer vier stuivers. Den Berger verwacht een druk gebruik van de haven, die hij ontworpen heeft aan het Hop, tegenover de rede. Tegen storm, ijsgang en verslibbing acht hij dat de beste plaats. De Urkers willen de haven echter dichter bij het dorp hebben, tegenover het taanhuisje. Het gevolg is dat heel de haven er niet komt.

In 1780 wordt wel een bijna honderd meter lang wierhoofd gemaakt, waardoor de schepen meer beschutting krijgen. Uit een Amsterdams journaal van 1792 blijkt dat de zestig grotere vaartuigen alleen aan de zuidkant van het eiland een ankerplaats hebben, die tegen wind met paalwerk aan beide zijden wordt beschut. ‘Hoofd of haven is er niet, alleenig is op het paalwerk een plank voor het lossen en laaden van de schuijten gemaakt.’

In 1805 adviseert waterbouwkundige S. Peereboom de Pilotage om ter bescherming van de vuurboet een steenglooiing aan te leggen om landafslag tegen te gaan. Hij stelt voor om oostelijk daarvan een haven aan te leggen, in overeenstemming met de voorkeur van de Urkers om de haven dicht bij het dorp te hebben. De Leydse Courant bericht op 18 augustus 1817 over ‘Het besluit van Z.M. om aan het eiland Urk, op de Zuiderzee, een noodhaven in het aanstaande jaar 1818 aan te leggen, hetgeen, behalve de veiligheid van ruim 3.600 binnenschepen, welke gewoon zijn daar jaarlijks langs te stevenen, welvaart, en, door welvaart, zoo wij vertrouwen, zedelijkheid aan de bewoneren van dat eiland, waarvan men sommigen wel eens met den naam van Afrikanen der Zuiderzee betiteld heeft, zal aanbrengen.’

In juni 1818 bericht de Nederlandsche Staatscourant dat de aanleg van een nieuwe haven of legplaats voor vissers wordt aanbesteed. Een jaar later wordt de aanbesteding herhaald en wordt de haven daadwerkelijk aangelegd. Het gaat om een hoofddam die vanaf de kant de zee insteekt met haaks daarop een leidam die niet met de vaste wal is verbonden. Het bestaande opscheephoofd wordt in de haven opgenomen. De haven heeft twee ingangen. De schepen liggen nu veel veiliger en kunnen ook aan de wal worden afgemeerd, al is de havenkant in het begin alleen van rijshout. De haven biedt ruimte aan vijftig vissersschepen.

Door stroming heeft de haven last van dichtslibben en bij laag water is hij soms niet toegankelijk. In januari 1826 moeten vierentwintig schuiten noodgedwongen op de rede afmeren, omdat ze de haven niet in kunnen. Door een schuivend ijsveld worden de afmeerkabels doorgesneden en stranden de schepen op het Enkhuizerzand en bij Hoorn.

In 1830 wordt de Urker haven verlengd en verder uitgediept. De capaciteit stijgt daardoor tot zeventig schepen. Drie jaar later wordt het aanleggen van een ruim vijftig meter lange leidam aanbesteed, die de Urker haven nog verder vergroot. De haven wordt nu ook toegankelijk voor grotere schepen en biedt plaats aan honderdtwintig schepen. In 1837 wordt het westerhavenhoofd nog verder verlengd.

Van groot nut

Urk heeft een ruime en veilige haven met robuuste steenglooiingen en stevig paalwerk. De Urker haven biedt niet alleen plaats aan de eigen vloot, maar de Staatscourant van 7 juli 1847 bericht dat de haven ook van groot nut is voor de overige vaart op de Zuiderzee. Uit het Statistisch jaarboek voor het Koningrijk der Nederlanden over 1854 blijkt dat naast de eigen vloot, die dan uit 132 vaartuigen bestaat (samen 3.466 ton), ook nog 538 schepen van elders aanmeren, vaak om te schuilen bij slecht weer of bij ijsgang in de winter. Al is de omgeving van Urk gevreesd vanwege de vele grote stenen die op geringe diepte liggen. Ook zijn er bij storm aanzienlijke golven die het binnengaan van de krappe havenmond bemoeilijken. De aanleg en het onderhoud is steeds voor rekening van het rijk, maar er moet wel havengeld betaald worden. De eigen vloot brengt 469 gulden op, de bezoekers in totaal 119,60 gulden. In mei 1856 wordt opnieuw een vergroting van de haven aanbesteed, waarna later dat jaar de westelijke havendam wordt verlengd.

In de loop der jaren blijft de haven zich ontwikkelen. Er worden plankieren en aanlegsteigers aangelegd, het straatwerk en de toegankelijkheid worden verbeterd. De haven biedt ruimte voor de bouw en het onderhoud van schepen en daarmee werkgelegenheid. Daarnaast vestigen zich steeds meer vishandelsbedrijven op Urk, die zich toeleggen op de verwerking van vis uit de Zuiderzee. Urk ontwikkelt zich tot het centrum van de Zuiderzeevisserij.

Wanneer in het voorjaar de eerste ansjovis zich aandient, zetten de vissers koers naar Urk. Vaak vanaf half mei tot in de loop van de maand juli en zelden langer dan twee maanden. Na het ophalen van de netten wordt zo snel mogelijk de haven opgezocht om de vangst aan wal te brengen en de netten in de haven te klaren. Het is een en al bedrijvigheid in de haven van Urk. Naast vissersschepen zijn er ook binnenschepen die de verwerkte ansjovis vervoeren. In het najaar en in de maanden januari tot en met april komen de vissers weer als de haring zich rond Urk laat vangen. De bedrijvigheid doet niet onder voor de ansjovisperiode. Rond Urk vissen dan zo’n 1200 vissersschepen. Voordeel is dan wel dat veel Urker Noordzeevissers vanuit IJmuiden en Den Helder vissen en zo nog wat ruimte overlaten. De haven is vaak zo vol dat bij rustig weer ook schepen buiten de haven aan de oude rede ankeren. De haven van Urk heeft met haar mond een oppervlakte van ruim 2,4 hectare en de talrijke Urker vloot, met haar vele vletten, neemt al meer dan 1,8 hectare in. Er blijft dan nog ruimte over voor hooguit tachtig vissersschepen van gemiddelde grootte. Bij een plotseling opkomende storm of onweer gebeurt het regelmatig dat het rode licht of de rode vlag aangeeft dat de haven vol is. Het komt weleens voor dat er 480 vissersvaartuigen opeen gepakt liggen.

De komst van de poststoomboot in 1890, die tweemaal daags de haven aandoet, maakt de situatie er niet beter op. Ook die vraagt ruimte, zeker voor het draaien van het schip.

Uitbreiding

Al voor 1890 wordt aangegeven dat de haven te klein is geworden. Er worden verschillende verzoeken gedaan, onder andere door belanghebbende vissers, vereniging Schuttevaer en het gemeentebestuur. In 1891 bezoeken 1.340 verschillende schepen de haven, in 1896 zijn dat er 2.821, 2.328 in 1897 en in het mooie ansjovisjaar 1898 zelfs 3.883. Uit het Verslag van den Staat der Nederlandsche Visscherijen uit 1901 blijkt dat schepen uit maar liefst vijftig plaatsen naar de haven van Urk trekken. Nadat de raad van de gemeente Urk in 1900 een brief stuurt aan koningin Wilhelmina, worden pas in 1901 plannen gemaakt voor de uitbreiding van de haven.

Urk krijgt er in 1902 een nieuwe havenkom bij met een grotere diepte, 2,5 meter ten opzichte van 2 meter in de oude havenkommen. De westelijke havendam wordt met vijftig meter verlengd, zodat er minder golfslag is in de havenmond en de zeilschepen makkelijker onder zeil kunnen komen als ze de haven verlaten. In het midden van de haven wordt naast de zouterij ook een beschutting voor de havenmeesters gerealiseerd.

In 1936 wordt de haven opnieuw aanzienlijk uitgebreid door de aanleg van een werkhaven ten dienste van de Zuiderzeewerken. In 1972 neemt de gemeente Urk de haven voor f 4.000.000,- over van het Rijk. Vandaag de dag heeft de haven vooral nog een toeristische bestemming, omdat de grote Urker vissersschepen afgemeerd liggen in de Noordzeehavens.

Bronnen

De Ingenieur, orgaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs Nederlandsche Staatscourant

De plek in de luwte van het eiland waar de schepen afmeerden toen Urk nog geen haven had.
Urk heeft hier nog geen haven, maar alleen een opscheephoofd.
De Reede, waar de schepen liggen afgemeerd.
De tekening voor de eerste haven, die in 1819 werd gerealiseerd. Noord-Hollands Archief.
De tekening voor de vergroting van de haven in 1834. Noord-Hollands Archief.
In 1856 werd de Westhaven aangelegd.
In 1902 wordt de Urker haven aanzienlijk uitgebreid.
De werkzaamheden aan de vergroting van de haven in 1902.
Zicht vanaf de vuurtoren op de nieuwe haven.
Een volle haven aan het eind van de dertiger jaren.