Urk in de IJzertijd en de Romeinen

Boeren in het laagveen

Door de uitvinding van ijzer waren boeren in staat om betere gereedschappen te maken, waardoor hun productie toenam en de bevolking groeide. Met de toegenomen productie konden ze zich ook specialiseren in verschillende ambachten, veeteelt of landbouw, wat resulteerde in regionale handel. De meest geschikte bewoonbare gebieden bevonden zich langs de Nederlandse kust, op duinen en terpen. Naarmate de bevolking groeide, begonnen mensen ook meer permanente nederzettingen te zoeken in de lagere, drassige veengebieden in het binnenland.

Urk rondom 500 BCE
Nederland rondom 500 BCE

Het veengebied waaruit Urk is ontstaan was rond 600 v.Chr. een landbrug geworden en verbonden met het Kamperland in het oosten en met Noord-Holland in het westen. Ten zuiden van Urk begon een steeds groter meer, genaamd het Almere, te ontstaan omdat de Rijn en de Utrechtse Vecht niet goed meer konden afwateren als gevolg van de verzanding van het Oerij. Ten noorden van Urk stroomde wel een rivier die het water van de kop van Overijssel en Kamperland naar de Noordzee voerde, maar ook daar werden steeds meer meren gevormd. Tegen de tijd dat de Romeinen ons land bereikten, zou het Almere bij Enkhuizen doorbreken en werd het Urkerland een schiereiland. De krachtige westenwinden kregen steeds meer invloed op het water en sleepten grote stukken veen als kraggen de zee in. Kraggen zijn drijvende vegetatiematten die voornamelijk bestaan uit dode plantenresten, zoals riet en waterplanten. Ze vormen zich in ondiepe wateren, zoals moerassen, meren en rivierdelta’s. Kraggen hebben de eigenschap om samen te klonteren en te drijven op het wateroppervlak, waardoor ze een dichte en stevige massa vormen. Was het veilig om in zo’n gebied te boeren en te vissen?

Helaas hebben we weinig concrete informatie over deze periode. Bij Emmeloord zijn veel visweren gevonden, waaronder één van 120 meter lang. Visweren zijn constructies die worden gebruikt in de visserij om vissen te vangen of naar een specifieke locatie te leiden. Ze bestaan uit palen of netten die in het water worden geplaatst om een barrière te vormen waarlangs vissen kunnen zwemmen. Daarnaast zijn er ook sieraden in Flevoland ontdekt. Dit wijst erop dat op de hogere delen in het veen wellicht pogingen waren om te wonen, op plaatsen die in de latere Middeleeuwen bekend stonden als Ens, Emmeloord, Nagele en mogelijk Urk. Waarschijnlijk woonden ze voornamelijk in de buurt van water, zodat ze konden vissen en drinkwater hadden voor hun vee. Misschien beoefenden ze op enkele iets hogere plekken ook landbouw. Bewijs hiervoor is echter verdwenen, opgeslokt door het veen of begraven onder het veen. Het zal geen uitgebreide landbouw zijn geweest. Desondanks moeten de kiemen van bewoning op die plaatsen in de IJzertijd zijn gelegd, omdat we rond het begin van onze jaartelling een redelijke handel en welvaart zien ontstaan langs de Nederlandse kusten, waar ook de bewoners in de veengebieden rondom Urk van konden profiteren.
Hoe dan ook, dit was ongeveer het leven in de kleine, groeiende nederzettingen in het Urkerland toen de Romeinen ons land bereikten.

De Romeinse tijd

bijl ijzertijd urk
Bijl met ijzer

Voor de mensen in de regio moet het een enorme schok zijn geweest om plotseling zwaar bewapende Romeinse oorlogsschepen over het Flevomeer naar het noorden te zien varen, langs wat later het eiland Urk zou heten. De Friezen die langs de kust woonden, begrepen meteen dat verzet zinloos was en sloten daarom een pact met de Romeinen. Ze moesten soldaten en koeienhuiden als belasting leveren. In 27 na Christus leidde deze belasting echter tot een Friese opstand tegen de Romeinen. De nieuwe gouverneur Olennius eiste namelijk dat de koeienhuiden afkomstig moesten zijn van de wilde aurochs, een groot rund, in plaats van de tamme en gefokte, kleinere nakomelingen. Dit vee werd gehouden door de boeren van die tijd. Al snel kwamen de Romeinen erachter dat de lage landen met hun drassige veen- en moerasgebieden en verraderlijke waddenkust, het veroveren van Noordwest-Europa bemoeilijkte. Ze trokken zich na het jaar 89 na Christus terug tot aan de Rijn, die hun rijksgrens werd. Niettemin bleven er contacten en invloeden over die grens bestaan. Ten zuiden van Lelystad zijn resten opgegraven van wat mogelijk een wachttoren van de Bataven is geweest toen ze in opstand kwamen tegen de Romeinen. Het is echter ook mogelijk dat de toren van de Romeinen was, aangezien het belangrijk was om de route van de Rijn langs de Vecht, over het Flevomeer naar de noordelijke kust te bewaken en te controleren. Het is goed mogelijk dat ze ook zo’n uitkijkpost en handelspost op het schiereiland Urk hadden, maar daar hebben we geen informatie over.

Met de komst van de Romeinen veranderde ook de economie in het noorden van Nederland. Er vond een schaalvergroting plaats in de handel, waarvan veel artefacten en munten in de kustgebieden getuigen. Ook bij Urk zijn Romeinse munten gevonden, maar helaas is er veel onduidelijkheid over, waardoor we er niet met zekerheid over kunnen spreken. Wat we wel kunnen zeggen, is dat de honderdschappen en stammen die kenmerkend waren voor de Germaanse samenleving buiten het Romeinse rijk in Europa, gedwongen werden om zich strakker te organiseren om de steeds sterkere Romeinse invloed te weerstaan. Dit gold met name voor de stammen die direct aan de grenzen van het Romeinse rijk woonden. Uit deze situatie ontstonden stammen zoals de Bataven en de Franken, die veel Romeinse gebruiken overnamen en zelfs in het Romeinse leger dienden. Er vonden gedwongen migraties plaats, waaronder die van de Salische Franken, die zich vestigden langs de oevers van de IJssel, waar de naam Salland nog aan herinnert. Deze stammen spraken een taal waar ook het Urkers van is afgeleid. En toen het Romeinse rijk rond het jaar 400 begon uiteen te vallen in West-Europa, was het niet toevallig dat de Franken hun rol in de Lage Landen wilden overnemen. Dat verliep echter niet zo eenvoudig.

Bronnen

  1. E van Ginkel en L Verhart, Onder onze voeten, de archeologie van Nederland, 2009
  2. H Halbertsma, Frieslands Oudheid, het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, 2000