Urk in de Prehistorie: inleiding

Er zijn ruwweg twee manieren waarop we meer te weten kunnen komen. Ten eerste kunnen we zoeken naar schriftelijke bronnen die niet specifiek Urk noemen, maar die wel informatie geven over de streek waarin het lag. We kunnen bijvoorbeeld kijken naar wat de Romeinen hebben geschreven over de Lage Landen. Daarnaast zijn er oude Indische geschriften die gaan over een oude Indo-Europese bevolking die zowel westwaarts naar de Lage Landen als oostwaarts naar India trokken. Hoewel deze bronnen grotendeels nog niet benut zijn, is er vanaf 1500 v.Chr. veel van hun traditie vastgelegd in de Rig Veda, een van de oudste en belangrijkste heilige teksten binnen het hindoeïsme.

De prehistorie beslaat een veel langere periode dan de beschreven geschiedenis, die zich beperkt tot de afgelopen duizend jaar – vanaf het jaar 966 tot heden. De prehistorie strekt zich bijna zover uit als we willen teruggaan. We kunnen nu teruggaan tot ongeveer 180.000 jaar geleden. Maar hoe komen we tot deze schatting en hoe meten we de leeftijd van gebeurtenissen in het verleden?

De wetenschap erkent dat we niet altijd exact kunnen weten hoe oud iets is. Daarom stellen wetenschappers voor om te werken met aannames en methoden om de leeftijd van gebeurtenissen zo goed mogelijk te schatten. Gelukkig zijn er in de natuur zelf verschillende “klokken” verborgen die ons redelijk nauwkeurig kunnen vertellen hoe oud iets is. Het enige dat we hoeven te weten is het “huidige tijdstip” en van daaruit kunnen we teruggaan om een schatting te maken van hoe lang geleden gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Daarnaast zijn er allerlei “klokken” in ons eigen lichaam aanwezig. We hebben een innerlijk gevoel van dag en nacht, zelfs als we ons in een grot bevinden zonder uitzicht naar buiten. Sommige mensen beweren zelfs te kunnen voelen wanneer het volle maan is, wat overeenkomt met de cyclus van de maan om de aarde. Bovendien ervaren we allemaal de seizoenen in ons lichaam, die samengaan met de tijd dat de aarde om de zon draait. Deze interne klokken en ervaringen zijn indicaties van de tijd en helpen ons te begrijpen hoe de wereld om ons heen verandert.

Maar er is meer:

1. Boomringen tellen (dendrochronologie)
Als je een boom omzaagt, kun je een groot aantal ringen zien. Elke ring vertegenwoordigt een jaar in het leven van de boom. De dikte van de ringen varieert afhankelijk van de omstandigheden tijdens dat specifieke jaar. In een prachtige zomer zal de ring dikker zijn, terwijl deze dunner kan zijn in het voorjaar of najaar. Door de ringen te tellen weet je dus hoe oud de boom is geworden en ook in welk jaar het weer goed of slecht is geweest.

Door de ringen van oudere bomen te vergelijken, waarbij de ringen van hetzelfde jaar naast elkaar worden gelegd, kunnen we een volgorde bepalen. Op deze manier kunnen we een lange tijdlijn maken die ons in staat stelt om van elk jaar te achterhalen hoe het weer destijds was. Als we bijvoorbeeld een oud stuk hout in de bodem vinden, kunnen we precies de jaren bepalen waarin de boom heeft geleefd. Dit geeft ons waardevolle informatie over het verleden.

2. C-14 methode
Radiokoolstofdatering, ook bekend als de C-14-methode, is een belangrijke methode om gebeurtenissen en overblijfselen uit de prehistorie te dateren, inclusief menselijke resten en archeologische artefacten. Deze techniek maakt gebruik van het verval van koolstof-14 in organische materialen na de dood van een organisme.
Alles wat we in de bodem vinden en ooit geleefd heeft bestaat uit organisch materiaal, waaronder koolstof. Naast koolstof-12 en koolstof-13 is er ook koolstof-14. Wanneer een levende plant of dier sterft, begint koolstof-14 langzaam af te breken. Na 3756 jaar is de helft van het koolstof-14 verdwenen, na nog eens 3756 jaar is weer de helft daarvan verdwenen, enzovoort. Door de hoeveelheid koolstof-14 in een monster te meten, kunnen wetenschappers schatten hoe lang het geleden is sinds het organisme stierf. Op deze manier kunnen we berekenen wanneer een mens, dier of plant heeft geleefd, zelfs tot 50.000 jaar geleden. Dankzij de C-14-methode kunnen we dus de ouderdom van botten en delen van een skelet dat we in de grond vinden bepalen.

3. Genetische geschiedenis
Genetische studies bieden ons waardevol inzicht in de prehistorie van Urk. Door het analyseren van het DNA van oude menselijke resten en moderne populaties kunnen onderzoekers migratiepatronen, verwantschappen en genetische veranderingen in de tijd reconstrueren.
Daarnaast is er recentelijk een nieuwe methode ontdekt om organische resten te dateren, zelfs uit veel oudere periodes. Deze methode maakt gebruik van genetisch materiaal. Onze genen vormen de bouwstenen van ons erfelijk materiaal, dit erfelijk materiaal is uniek voor ieder individu en wordt doorgegeven van ouders op kinderen, van geslacht op geslacht. Telkens wanneer genen worden doorgegeven, vinden er kleine veranderingen plaats. Naarmate dit proces zich herhaalt, kunnen er meer veranderingen optreden. Op basis hiervan kunnen we berekenen hoe lang geleden onze voorouders zowel neanderthalers als homo sapiens waren. Dankzij deze genetische benadering weten we bijvoorbeeld dat neanderthalers al 430.000 jaar geleden in Europa leefden en ongeveer 40.000 jaar geleden zijn uitgestorven.

Door gebruik te maken van interne “klokken”, dendrochronologie, radiokoolstofdatering en genetische studies, kunnen we een goed beeld vormen van de gebeurtenissen en het denken van de mensen die duizenden jaren geleden op Urk leefden. Deze benaderingen brengen ons stap voor stap dichter bij het begrijpen van ons verleden, hoewel er nog veel te ontdekken valt. Het begrijpen van de gedachten van mensen uit het verleden is een andere uitdaging voor het onderzoek. Door ons vooral te richten op wat er sinds die tijd niet al te veel is veranderd kunnen we echter toch enig inzicht krijgen in hun denkwereld. Hier volgen een paar voorbeelden:

1. De hersenen van ons mensen, homo sapiens, zijn sinds ons ontstaan weinig veranderd. De structuur ervan is redelijk gelijk gebleven en daarmee hoe we denken. Een voorbeeld hiervan is hoe we altijd een onderscheid hebben gemaakt tussen de “mensenwereld”, de “bovenwereld” en de “onderwereld”.

2. De sterrenhemel is in de loop van duizenden jaren wel wat veranderd, maar de stand van de aarde ten opzichte van de zon niet. Hierdoor zien we gedurende de seizoenen steeds andere sterrenbeelden (de dierenriem), maar als we naar het noorden kijken, zien we steeds dezelfde sterren (zoals de Poolster en de Grote Beer). Prehistorische mensen hebben daarom hun goden vaak in het noorden geplaatst, terwijl hun gewoonten en feesten werden bepaald door de seizoenen en de zichtbare sterrenbeelden.

3. In onze tijd leven inheemse volkeren nog steeds op een vergelijkbare manier als onze verre voorouders en delen ze vergelijkbare denkwijzen. Ze geloven in de onderlinge beïnvloeding van alles wat bestaat en dat herhaalde handelingen steeds dezelfde resultaten opleveren. Denk bijvoorbeeld aan het sprookje van Vrouw Holle: als zij in de onderwereld de dekens uitklopt, gaat het in de bovenwereld sneeuwen. Op vergelijkbare wijze kunnen zij bijvoorbeeld de lichtjes in een kerstboom aansteken met de wens dat de Wereldboom (de Melkweg) opnieuw licht en warmte in hun leven zal brengen.

Bronnen

  • 1. Valerie Trouet, Wat bomen ons vertellen, 2020
  • 2. Johannes Krause en Thomas Trappe, De reis van onze genen, 2020
Uit Valerie Trouet, Wat bomen ons vertellen, 2020