Een Harlinger Scheepstegel uit de Urker bodem!

Tijdens graafwerkzaamheden voor een verbouwing van Wijk 6 nr. 36 werd onlangs een oude tegelscherf gevonden (zie afb. 1). Uit nader onderzoek bleek het een fragment van een zeldzame “Harlinger Scheepstegel” uit ca. 1660 te betreffen. Dit is een vroeg type tegel dat alleen in Harlingen gemaakt werd. Deze tegels zijn altijd erg gedetailleerd en realistisch geschilderd en zijn daarom tegenwoordig onder verzamelaars erg gewild!

De Harlinger aardewerkindustrie

Harlingen wordt beschouwd als de bakermat van de Friese aardewerkindustrie, mede dankzij de rijke klei en de strategische ligging als havenstad. vaak geïnitieerd door ambachtslieden die na de val van Antwerpen, onder de Spanjaarden, naar het noorden trokken. Vanaf 1598 werden er al aardewerk en tegels beschilderd en gebakken.  In de 17e eeuw was Harlingen het centrum van de Friese aardewerkindustrie, met de meeste ‘gleibakkerijen’ (zeven van de tien in Friesland).  De fraaie Friese producten vonden een grote afzetmarkt in Nederland en Noord-Europa. Er werden miljoenen tegels, schotels en gebruiksvoorwerpen geproduceerd, vaak met blauwe of meerkleurige beschilderingen. De productie kenmerkte zich door de klassieke tinglazuurtechniek, waarbij aardewerk werd gedoopt in een witte glazuurlaag en daarna beschilderd. Na verloop van tijd stopten echter alle traditionele fabrieken hun productie; de oorspronkelijk industrie verdween.

In 1972 werd de productie weer nieuw leven ingeblazen door de Harlinger Aardewerk & Tegelfabriek. Deze fabriek in de Voorstraat is de enige overgebleven producent in Nederland die het gehele, authentieke proces van handgemaakt en handgeschilderd aardewerk nog in de fabriek laat zien.

Fluitschip

Door de realistische weergave zijn de scheepstypen die op deze tegels zijn weergegeven ook altijd goed te benoemen. In dit geval betreft het een afbeelding van een 17e_eeuws 3 mast zeilschip van het type “Fluit” (zie afb. 2).

Het fluitschip is een beroemd zeilschip van Nederlandse makelij. Deze driemaster was een ingenieus soort vrachtschip dat in de zeventiende en achttiende eeuw in ons land gebruikt werd en een aantal bijzondere kenmerken had. Het fluitschip, alias ‘het werkpaard ter zee’, droeg mede bij aan de opkomst van de Republiek als zeevarende natie en als de sterkste mondiale zeemacht in de tijd van de Gouden Eeuw. Ook de plaats Hoorn, waar dit schip uitgevonden is, voer wel bij de uitvinding van het fluitschip.

Afbeelding 2 (originele tegel, afmeting: 13 x 13 x 1,2 cm.)

Het fluitschip, dat een lengte had van 35 tot 37 meter, is mogelijk vernoemd naar het geluidsinstrument de fluit. Naast een smal dek en grote laadruimte, blonk het fluitschip uit door het grote drijvend vermogen, dat te danken was aan de peervorm van het schip. Verder waren fluitschepen relatief licht, waardoor ze behoorlijk snel konden varen en ook gebruikt konden worden in ondiepe wateren. Ten slotte konden fluitschepen in de vaart gehouden worden met slechts twaalf bemanningsleden. Dit scheepstype was dan ook een zeer efficiënt en praktisch vrachtschip.

Het fluitschip was het standaard scheepstype dat gebruikt werd door de VOC en op de Oostzeehandel. De laatstgenoemde handel werd door Johan de Witt als ‘moedernegotie‘ (moeder van alle soorten handel) bestempeld, omdat de Oostzeehandel cruciaal was voor de Hollandse welvaart. De basis van de Oostzeehandel was het verschepen, via fluitschepen, van zuivel, specerijen uit Nederlands-Indië en wijn uit Zuid-Europa naar het Oostzeegebied. In ruil daarvoor kwamen de schepen terug met voordelig hout en graan. Verder namen de fluitschepen zout, kruit, wapens, pek, teer en dierenvellen mee terug naar de Republiek. Het waren vooral hout en graan die de basis legden voor de grote Nederlandse welvaart van de zeventiende eeuw. Het hout werd in Zaandam razendsnel gezaagd om nieuwe fluitschepen van te bouwen. Het graan sloeg men op in de stapelmarkt Amsterdam en verkochten de Hollanders tegen fikse prijzen door in Europa, als er ergens een hongersnood uitbrak. Hierdoor stroomde het geld binnen.

Kostbare wandversiering

Vanwege de zeer verfijnde en gedetailleerde schildering (met de hand!) waren deze tegels ook erg duur en daardoor meestal niet betaalbaar voor de doorsnee 17e_eeuwse burger met een “smalle” beurs. Deze tegels worden dan ook veelal aangetroffen in voorname (grachten)panden van de rijkere Hollandse, West Friese en Friese steden uit die tijd. Steden zoals bijvoorbeeld Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen. De bewoners daarvan waren kooplieden en kapiteins, betrokken bij de scheepvaart op Indië of de Oostzee. Verder werden met dit type tegel niet complete wanden betegeld, maar bijvoorbeeld alleen de schouw, mede om indruk te maken op anderen (zie afb. 3).

Een welgestelde Urker ex-gezagvoerder?

In het licht van het hierboven genoemde Lijkt het verwonderlijk dat deze scherf op Urk is aangetroffen. Urk stond namelijk altijd bekend als zijnde “arm”. Waarschijnlijk is dit echter niet altijd zo geweest. Deze aanname in ook al geconstateerd en toegelicht in eerdere Urker Kronieken, zoals bijvoorbeeld de kroniek over de “muntvondsten”.

Omdat naast dit fragment bij Wijk 6-36 ook ander aardewerk en munten uit de 17e eeuw zijn gevonden, is het aannemelijk dat deze tegel ook daadwerkelijk ergens op of nabij deze locatie is toegepast. Weer een bewijs dat Urk in, met name de 17e eeuw, nog steeds wat kapitaalkrachtige inwoners kende. Deze woonden dan verder niet in een eenvoudige (vissers)woning, maar in een voornamer pand van baksteen met een  passende inrichting. Was het misschien een koopman of een eigenaar/stuurman van een schip of misschien iemand van het Urker ootjesvolk (een plaatselijke notabele)?

Bronnen:

Harlinger aardewerk en tegelfabriek, Museum Het Hannemahuis Harlingen ,Nederlands tegelmuseum Otterloo, Wikipedia en Historia.

Stichting Urker Uitgaven, essay link: https://www.urkeruitgaven.nl/essay/vluchtende-hugenoten-handelsreizigers-of-gewoon-rijke-urkers/  

Historische publicaties