Esseloars

Op een mooie zonnige zaterdag gaan mijn dochter en ik, gewapend met een zak met knikkers, eropuit om te knikkeren. We vinden een gaatje in de grond bij de buurvrouw en gaan spelen. Al gauw komt de buurman ook kijken, je ziet zijn ogen glimmen en langzaam komen de herinneringen: peaters waren in zijn tijd de hoofdprijs en die moest je je tegenstander zoveel mogelijk afhandig maken. Ze hadden de mooiste kleuren. En dan had je nog de grote bommen; zo’n bom was wel vijf peaters waard! Hij vertelt dat hij veel knikkers van tegenstanders in zijn zak heeft gestoken. Nog na gnuivend van al die overwinningen loopt hij weg.

Ook de buurvrouw doet een duit in het zakje en vertelt dat er op Urk ook door oude mannen geknikkerd werd. Er was zelfs een man die voor het knikkeren speciale klompen aantrok. Als alle knikkers op de grond lagen en de tegenstander niet keek, dan zette hij zijn klomp op de knikker en via een gat wurmde hij dan de knikker tussen zijn tenen. Want een knikker was toen één cent waard! Een heel oude Urker vrouw (94 jaar) meldt dat het spel knikkelen heette, en dat de grote knikkers koegels en de kleintjes esseloars genoemd werden.

Het knikkerspel werd al door de oude Egyptenaren en Grieken beoefend en ook op het Urker eiland schijnt het – gezien de tientallen vondsten in het oude dorp – vele eeuwen lang een populair tijdverdrijf geweest te zijn. De oudste knikkers (14-18de eeuw) worden in Wijk 5 en 6 gevonden en die zijn van aardewerk en klein en licht. Ze werden gemaakt als bijproduct in talloze pottenbakkerijen. Uit de 17de en 18de eeuw kennen we ook grotere knikkers van hard en geglazuurd steengoed met een doorsnede van soms wel vijf cm. Die werden geproduceerd in steenovens in Duitsland en hadden in eerste aanleg een heel andere bestemming. Ze dienden als “dop” op grote kruiken met wijn of bier. Als de kruik leeg was, ging de knikker naar de kinderen.

In de loop van de 19de eeuw werden sommige knikkers van biscuit klei gemaakt (een klei die ook als grondstof voor porselein diende) en oogden ze steeds fraaier. Een knikker van Wijk 5-37 is daar een voorbeeld van, die is versierd met groene, rode en blauwe strepen en blijkt rond 1850 in Duitsland gemaakt te zijn. Op Urk vinden we zelfs de – bij verzamelaars erg gewilde – zogenaamde onion skin marbles (vrij vertaald uienhuid knikkers), ook wel Josephs coat marbles genoemd, refererend aan de jas van Jozef uit de Bijbel die alle kleuren had. Zij hebben hun naam gekregen door hun opvallende patroon en kleur en werden van 1850-1900 in Duitsland geproduceerd. Gedurende de 20ste eeuw verschenen uiteindelijk de ons zo bekende glazen knikkers in alle kleuren, soorten en maten. Met die knikkers hebben bijna alle oudere Urkers op het schoolplein nog wel mee gespeeld.

Hoe ze ook mogen heten – bom, bonk, koegel, stuiter, knikker, of zoals op Urk esseloar – ze kostten (en kostten nu nog) bijna niets, maar hadden (en hebben nog) in al hun eenvoud al eeuwenlang een bijzondere aantrekkingskracht op jong en oud!